Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
66
men worden. Zoo heeft het woordje ah nu eens de beteeke-
nis van gelijk, dan van wanneer, iets, dat somwijlen aanlei-
ding tot onduidelijkheid geven kan. Op deze wijze kan de
praepositie voor verschillende beteekenissen hebben, gelijk
zulks b.v. het geval is in het volgende puntdicht van huy-
gens, zinspelende op den bekenden aanslag, door Prins
willem den tweeden tegen Amsterdam gesmeed:
Hoe quam 't, dat Amsterdam soo gramm was ,
En waerom was 't niet voor den prins ?
In seven woorden gaet veel sins :
Om dat de prins voor Amsterdam was.
Inzonderheid ook zij men op zijne hoede bij het bezigen van
woorden,die tot de zoogenaamde synonymahehooren, waardoor
men iiitdrukkingen verstaat, welke met sommige andere na-
genoeg in beteekenis overeenkomen. B.v.: ziek en krank,
maar en doch, als en wanneer, gierig, vrek en karig, zuinig
en spaarzaam, halsstarrig cn hardnekkig, en honderd soortge-
lijke zijn Synonyma. Zeer kundige vaderlandsche geleerden
hebben zich in den laatsten tijd met de uitlegging er van
beziggehouden. Verwart men nu daar ter stede dergelijke syno-
nymische uitdrukkingen met elkander, waar het onderscheid,
dat er toch altijd meer of min tusschen haar plaats heeft, niet
een haar breed uit het oog verloren had moeten worden; noemt
men b.v. iemand slechts karig, die den naam van gierig (het-
welk een' hooger' trap vau karigheid uitdrukt) verdiend zoude
hebben, zoo gevoelt men, dat onze uitdrukking onbepaald,
onjuist en weifelend is. Helmers is misschien te dezen aan-
zien, en in het algemeen, wat de keus en het gebruik van
sommige woorden betreft, niet overal voor gisping even schoot-
vry. Wij willen hiermede in geenen deele afbreuk doen aan
den welverdienden roem, en aan de door ons ten hoogste
geëerbiedigde nagedachtenis van dien vaderlandlievenden,
stouten en oorspronkelijken dichter, die door het vuur,
dat in zijne verzen gloeit, en door den mannelijk fleren, moe-