Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
Hy sprak. — Als H dof gebrom van verre donderslagen.
Op vleugels van den storm de dalen rondgedragen,
En met den hollen galm van kluft en rotsspelonk.
Al rommelend, voortgerold in dreunend berggeronk,
Verhief zich 't woest gejuich der duiv'len naar den hoogen. Enz.
Dit woord heeft in vele opzichten den schijn van een nieuw
samengesteld woord, ten minste, ik herinner mij op dit
oogenblik niet, het meer te hebben aangetroffen. Onderwal,
hoe verstaanbaar is het, en hoe krachtig tevens drukt het
uit, wat het uit moet drukken, namelijk het holle, doffe,
dreunende, rommelende nabauwen, dat de bergen van het
geluid des donders doen. Hg, die in de bergstreken onweders
heeft hooren losbarsten, zal het schilderachtige en klankna-
bootsende der bovenstaande verzen gevoelen.
Even fraai en duidelijk is de samenkoppeling glastoon, die
de heer kinker bezigt in zijn gedicht, de Wereldstaat geti-
teld, ter plaatse, waar hij van:
Den glastoon hunner stem, den waasmend' ambergeur
der bovenaardsche wezens zingt, en hiermede op het zuivere,
als glas of kristal klinkende, en harmonikaachtige hunner
stemmen zinspeelt. — En zoo zoude men uit onze latere dich-
ters honderden van nieuwe, of ten minste nieuw schijnende
woordkoppelingen kunnen aanvoeren, die ten betooge van het
hier door mij beweerde zouden kunnen strekken; terwijl men
er duizenden en tienduizenden zoude kunnen verzamelen uit
de poëzie der Hoogduitschers, wier dichters toch in koenheid
en stoutheid, maar soms ook in dolle buitensporigheid van
woordkoppelingen, leenspreuken, beelden en wat dies meer
zij, aan de Grieken, die waaghalzen in het woordsmedeii,
en aan de Oosterlingen, die hoogdravende en tot boven de
starren steigerende stijlisten, nauwelijks iets toegeven.
De slotsom van het gezegde in deze § komt derhalve hierop
neder: zijt voorzichtig met het smeden van nieuwe woorden,
maar laat u van den anderen kant door geene te verregaande