Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
iet onderw^'l wel degelijk in het Hoogduitsch beteekenen,
weshalve de geestige heer van Zuylichem, die in de voor-
naamste talen van Europa verzen maakte, en dus kenner
dier spraken was, deze zijn bekwaamheid dan ook weêr, op
zijne gewone aardige wijze, aan den dag legt, als hij zingt:
Be Buytschen hebben, schijnt, ondanckhare gedan'cken;
Soo ick haer vriendschap doe,
Be danck behoort my toe;
Sy seggen 't anders om, en doen haer zeer bedancken.
In het voorbj'gaan zij gezegd, dat, wat het in deze verzen
gebruikte doen betreft, zulks hier op dezelfde wijze voorkomt,
als de Engelschen hun to do by hunne werkwoorden dikwerf
bezigen, en gelijk men in het Groningsch, dat vol Engelsch
steekt, somtijds zal hooren zeggen: Mijnheer deed Mijnheer
voor de uitnoodiging bedanken, in plaats van bedankte, of
liet bedanken.
Een aantal woorden en spreekwijzen zijn er echter, waar-
over men uren lang zoude kunnen twisten, of zij al, dan
niet, als germanismen beschouwd moeten worden; terwijl
men daarenboven, wilde men het gezag der oudheid in
dezen doen gelden, niet alleen vele van zulke half, maar
zelfs honderden van tegenwoordig geheel Hoogduitsch schij-
nende uitdrukkingen zoude kunnen verdedigen. Wij hebben
weêr een voorbeeld in het zoo even gemelde puntdicht van
huygens, waarin het hoogduitsche woord Gedancken voor ons
gedachten gebezigd is. Ook zouden wij indiervoege, om het
hollandsche der Hoogduitsch schijnende uitdrukking: het is
schade, dat het weder heden zoo slecht is {Es ist Schade, dass
das Wetter heule so schlecht ist) voor het is jammer, dat enz.,
te bewijzen, het gezag van den grooten hooft kunnen in-
roepen, die in de Granida deze uitdrvikking in diezelfde be-
teekenis bezigt:
Het vinnigh straalen van de zon
Ontschuil ik in 'tbosschaadje;