Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
Der eeuwen, H woest gebrul des donders fier blijft trotsen.
Schoon stormen aan zijn' voet in wilde golven klotsen.
Schoon schip bij schip, met kracht geslingerd op zijn borst,
Verbrijzeld henen stuift, staat hij met kracht omschorst.
Belacht het woeden van de orkanen en van de eeuwen. Enz.
dan is op de spelling van deze fraaije verzen uit den derden
druk der Hollandsche ISatie naar de vroegere regeling wel
niets aan te merken, maar wel degelijk op de taal of op
het grammaticale. Immers één der substantieven heeft hier
by herhaling een geheel verkeerd geslacht. Tot de zuiver-
heid van deu stijl behoort dus een getrouw betrachten van
de regelen onzer spraakkunst, tot welke rededeelen of partes
orationis die regelen ook betrekking mogen hebben. Inder-
daad, dit stuk kan men niet genoeg ter harte nemen; ge-
lijk men dan ook hiertoe in alle schriften, die over den stijl
handelen, b. v. in die van cicero, quinctilunus, blair, beijer
en anderen, telkens wordt aangespoord. Ook hebben de
grootste vernuften altyd bijzonder veel werk van het eigen-
lijk grammaticale gemaakt, ja, zich zelfs met de uitpluizing
van schijnbare kleinigheden verlustigd. Ik behoef slechts bij
ons op de namen van een' hooft, bilderdijk, kinker en van
hoeveel anderen niet meer, te wijzen. Zeer naar waarheid
heeft daarom jeremias de decker tot jakob heyblok, met eene
woordspeling in deu smaak van zijn' tyd, gezongen:
De spraek-konst is de grond, waerop dat hecht en vast
Der Musen tempelbouw tot aen de woleken wast;
Waer H oock aen desen grond ontbreken mag of schorten,
Daer staet de tempelbouw der Musen in te storten* —
Ghy, Jacob, die dien grond dan in de joncheyt legt,
Moogt van dien tempelbouw den heyblock zyn gesegt!
§ 115-
Het tweede vereischte tot een' zuiveren nederlandschen stijl
Lestaat hierin, dat men de woorden zooveel noodig, onver-