Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
gelaat verandert, is het niet te zien, en de plaatsing be-
slist hier ook niets. In eene periode toch, als de volgende,
heeft men dezelfde woordeuschikking, en daar slaat zijnde
op ik: Dit onderwerp ga ik^ cds tot deszelfs hehandelinq te
weinig bevoegd zijnde, en haar liever aan meer deskundigen
willende overlaten, met stilzwijgen voorhij. — Hoeveel meer
grammaticale nauwkeurigheid is men in staat, om in het
Latijn aan zulke participiale woordensehikkingen te geven !
Haec seripta Wagenarii^ h. v. a me lectK drukt even duide-
Igk uit : deze schriften van Wagenaar^ welke schriften ik
gelezen heh^ als : Jlaec seripta Wagenarii^ a me perlecti et
valde amatif te kennen geeft: deze schriften van Wagenaar^
welken wagenaar ik doovgclezen heb^ en ten uiterste bemin^
enz. enz. Men wane echter niet, dat de latynsche woorden-
schikking geheel vrij is van grammaticale dubbelzinnigheden.
Zij heeft ze weder in andere opzichten, waarover het echter
hier de plaats niet is, breedvoeriger uit te weiden.
Eenige vragen, met betrekking tot de woordenschikking en
tot hare toepassing iii den stijl.
1) Wat gebrek heerscht er in de woordenschikking van het versje
uit HüYGENS, op bladz, 4 aangehaald ?
2) Wat laat zich zeggen ter beantwoording van de vragen over de
geheel verschillende woordenschikking, die in onderscheidene talen
heerscht? Wat is de aard der woordenschikking in het Latijn, Fransch,
Engelsch, Italiaansch enz.? Hoe is zij in de duitsche talen?
3) Tot hoevele hoofdsoorten zou men de woordenschikking in den
stijl brengen kunnen (gelijk b. v, bilderduk er drie opnoemt)?
4) Welke algemeene regels laten zich geven over de verplaatsing der
verschillende taaldeelen in eene zoogenaamde stellige of rechtstreek-
sche rede, waarin geene omzettingen voorkomen ? Hoe plaatst men
dan b. v. het werkwoord, hoe de naamwoorden, daarmede in betrek-
king staande, hoe adverbién, conjunctiën enz. enz. ?
5) Waarin zou de reden liggen, dat wij in de zoogenaamde kunstige
woordenschikking (evenals in vragende) aan den persoon des werk
woords soms eene andere plaats geven, en terwijl die persoon anders
vóór het verbum staat, hem nu er achter plaatsen ? Wij zeggen b. v.