Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
190
ochtendkrieken wordt afgeschilderd, de derde in den vier-
den, en ook meer of min de zesde in den zevenden regel:
Geen morgenzon had nog het hoofd weêr opgebeurd:
De nevel van de nacht was naauwlijks nog gescheurd :
Reeds zweeg het nachtgespuis: nog zwegen de orgelkelen
Der dossohen. — Nacht en dag scheen door elkaar te spelen ;
Niet als de roos der wang, met donzig lelieblank.
Of 't git der oogen, met des levens fl0^kersprank
Versmolten, maar als 't groen der gladgeschubde slangen
In 't zilver zich verliest, met weemlend beurtvervangen. Enz.
Over het algemeen beneemt een gepast doorloopen van den
zin aan de alexandrijnsche verzen veel van hunne eentonig-
heid. Vondel heeft vaak perioden van verscheiden versregels
lang. In dit alles is echter oefening en oordeel des onder-
scheids noodig. Men heeft er voorts ook nog voorbeelden bij
onze dichters van, dat zelfs de helft van een woord op het
einde van een' regel in den volgenden overspringt. Over dit
alles echter nader in de voorlezingen.
7) Vermijd sommige rijmen, waarvan in § 206 gesproken is.
8) Tracht ook, zoo het kan, dezelfde of dezelfde soort van
rijmen niet te spoedig op elkander te doen volgen.
9) Laat de tweede lettergreep uwer voeten niet te veel val-
len op éénlettergrepige woordjes en op syllaben, die in de
gewone uitspraak geen' klemtoon naar zich trekken, b.v.
de, den, men, uwen enz. Deze regel geldt niet alleen in de
alexandrijnsche, maar ook in andere soorten van versmaten,
die eenigszins jambisch zijn. Voorbeelden zullen, bij gelegen-
heid, dit duidelijker maken.
Wij zullen dan tevens van andere dergelijke vereischten
spreken, terwijl wij hier ten slotte nog eenige verzen aanha-
len, die als voorbeelden van kunstmatig schoone Alexandrij-
nen strekken kunnen. Vondel, die meester in de versificatie
of den versbouw, zingt van Konstantinopolens verovering door
de Turken, zeer dichterlijk: