Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
Men vergelijke hierboven § 68. Dergelijke woordenschikkingen
durven wij ons in onzen stijl, ook zelfs in dien der poëzie,
over het algemeen tegenwoordig niet meer veroorloven; even-
min als om het bijwoord in sommige gevallen achter het
werkwoord te plaatsen, gelijk de groote hooft insgelijks
doet in den schoonen rei uit den Gerard van Vclzen :
Den openbaren Dwingelandt
Met moedt te bieden wederstandt,
En op de harssenpan te treden ;
Om, met het storten van zijn bloedt
Den vaderlande 't waardste goedt,
De gulde vryheidt te bereeden ;
Dat ia, van ouwder herkoomst wijdt,
Bij d' aldertreffelijkst' altijdt
Beloont met eerebeelden danklijk. Enz.
In plaats van dankelijk, dat is dankbaar, beloond.—Andere
omzettingen, als b. v. te bieden wederstand, in plaats van
wederstand te bieden — en zoo ook in de volgende dichtregels:
Zijt welkom in het Zonneland
Alwaar de gouden app'len groeijen.
Kaneel en nootboom geurig bloeijen,
En ananassen dekken 't zandt
de woorden dekken 'f zand, in stede van '/ zand dékken —
blijven, schoon wel niet den vrijen proza-schrijver, echter
den aan maat en rijm gekluisterden dichter altijd, iu eene
zekere mate, geoorloofd.
S 106.
Twee hoofdgebreken, voor welke wij ons iu onze woorden-
schikking wachten moeten, en waartoe de aard onzer taal lich-
teiyk aanleiding zoude kunnen geven, zijn vooreerst stroef-
heid, en ten tweede duisterheid en onduidelijkheid. Huygens