Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
178
Vochtig Zuyen,
Schort uw huyen
Over Muyen
Kénen dagh,
Dien ick gaeren
Sonder haeren
Stil en klaer, en
Drooge sagh. Enz.
Maar het is onnoodig, voorbeelden van al deze verssoorten op
te geven. Kortom, eene vierde soort is drievoetig; eene vijfde
viervoetig; eene zesde vijfvoetig; eene zevende zesvoetig; eene
achtste zes- en een halfvoetig; eene negende zeven en een half-
voetig ; eene tiende achtvoetig. Van meer voeten dan van acht
kan ik mij geene versmaten herinneren. In een achthalfvoetig
trochaeïsch metrum zingt bilderduk, bij den dood van zgu
jongste zoontje, te Leiden begraven, roerend aldus:
1 2 3 4 5 6 7 VVa
Moest dan | hier uit ] verre I streken, \ uit een \ af ge I legen I volk.
Moest dan hier, door woeste baren, over stroom en waterkolk,
'k Moest dan hier het zand gaan zoeken, dat uw lijkjen dekken mocht l
Hier uwe asch een graf te ontsluiten, was dan alles, dat ik zocht!
Moest mijn vaderland hervinden, om te sterven op uw graf ! '
V Was uw doodkist, dierbaar wichtjen, dat dit vaderland my gaf!
H Was uw doodkist! — Groote hemel l ó vergeef eens vaders hart.
Wat het opwerp', wat het smore by de wanhoop van zijn smart!
Dit metrum zoude achtvoetig zyn, indien men de staande of
mannelijke in sleepende of vrouwelijke rijmen veranderde. Dat
voor het overige in één couplet dikwerf versregels, uit een
onderscheiden getal van voeten bestaande, voorkomen, weet
iedereen.
§ 206.
Meestal gebruiken wij in onze versmaten het rijm, waardoor
wij eeue soort van kunstmatige klankgelijkheid verstaan, welke