Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
174
§ 202.
Naarmate die snijding, of na den eersten, ofnadentwee-
■den, of na den derden, of na den vierden voet valt, draagt
zg in de latijnsche prosodie den naam van tricmimeres, pen-
themimeres, hephthemimeres en cnneaemimeres; letterlijk ver-
taald: derdehalve, vijfdlialve, zevend'halve,negend'halve. Deze
soortverdeeling is ook meer of min op onze verzen toepas-
selyk. Wij kunnen echter in sommige versmaten, b.v. in de
alexandrijnsche, nog een paar soorten er bijvoegen, namelijk
diegene, welke men endekamimeris zoude kunnen noemen, en
<le trisdekamimeris. De eene heeft plaats na den vijfden, de
andere na den zesden voet. De laatste komt schier in al
onze zoogenaamde vrouwelijke (§ 208) of sleepende Alexan-
drgnen voor. Van het vermelde ijsgevaarte luidt het verder
by tollens:
Het naakt; — en ieder knielt en stort zijn laatste be \ de;
Het schaaft de kiel voorbij, maar neemt de spaanders me 1 de,
En tuimelt verder heen tot uit het oor en oog.
§ 203.
Ofschoon ook by ons verzen zonder caesuur eentonig zou-
den zijn, zouden zij echter die groote eentonigheid niet be-
zitten, welke zij in het Latijn hebben. De volgende regel b v.:
De nacht verdween van de aard', de Zon verrees in 't Oost.
is zonder caesuur, maar echter niet stuitend. Metdatal is
het voor een groot deel door de snijding en de verschillende
wijze, waarop men haar doet invallen, dat onze versmaten,
vooral onze alexandrijnsche versmaat, afwisseling kunnen er-
langen. Sommigen willen by ons, dat men in de gezegde
alexandrijnsche verzen nimmer de caesuur in de middelrust
(zie § 210) brenge, evenals zulks ook door de fransche
kunstrechters strengeljjk verboden is. Over het algemeen is