Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
171
syllabe (— v); cretische, van ééne lange, ééne korte en ééne
lange (—o—); amp/ubrachysche, van ééne korte, ééne lange,
en ééne korte lettergreep of syllabe („ - o).
Voorts had men nog vierlettergrepige voeten, welke meu
echter meer als verdubbelingen van enkele , dan als op zich
zelve staande voeten, moet aanzien. Wij gaan ze dus met
stilzwijgen voorbij.
§ 199.
Vraagt men nu, of wij ook zoovele soorten van voeten in
onze versmaten hebben, zoo antwoord ik, dat, als het accent
alleen ons hier ten richtsnoer moet strekken, het moeijelijk,.
Ja, geheel onmogelijk zoude zijn, ze op te noemen. Toonkun-
stig berekend echter, dat wil zeggen, berekend naar de
meerdere of mindere snelheid, waarmede wij de eene letter-
greep in verhouding tot eene andere (evenals b.v. een halve
noot in verhouding tot eene heele) kunnen uitspreken,
zoude, zoo ik mij niet bedrieg, naar den maatstaf van den
Hoogleeraar kinker, het woord yeven een pyrrichius zijn
(ww); kerkkaars een spondeus (—); gegroeid een jambus
(o —); doornen een trochaeus of choreits {— bedelde een
tribraehys („ „ strandrotskloof een molossus (---); zijde-
koord een anapaestus (o u —);' moordgeschal een dactylus (— ^
geschroefdraaid een bacchius (^ —); nachttoortsje een antibac-
ehius (--„); lompgevormd een cretieus oïamphimacer {-^—)•,
bestormde een amphibrachys („ —
Ik herhaal nogmaals, dat hier van eene toonkunstig-, of
meer of min toonkunstig-berekende quautiteit der syllaben
gesproken wordt. Volgens ons gewoon accent toch, zoude
de lengtemaat der opgenoemde woorden dikwerf geheel an-
ders uitvallen. Wij zouden dan b.v. bedelde geen' tribraehys,
maar een' dactylus noemen. Volkomen zuivere spondérn zou-
den wij misschien bezwaarlijk kunnen aantoonen (*). Genoeg
(•) Immer.i in alle onze tweelettergrepige woorden, (die geene vol-