Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
166
lang, de vijftiende lang. En zoo zijn dit deze syllaben niet
alleen in den aangehaalden versregel, maar overal elders, waar
zij in de latijnsche poëzie gebezigd worden.
§ 193.
Eene zoodanige, voor elke syllabe in versmaat aangenomene
quantiteit missen wij tot dusver nog in onze woorden, als in
welke de geheele berekening van lengte of kortheid blootelijk
afhangt van de verhouding, waarin wij ons de lettergrepen
denken tot diegene, waarop de klemtoon of het woordaccent
valt. Zoo noemen wij, uit dat oogpunt beschouwd, de tweede
lettergreep in leven kort, of liever lager van toon, omdat de
eerste het accent heeft; teiwijl wij integendeel in ÊfedMc^t de-
eerste voor kort houden, omdat de klemtoon op de syllabe
dueht valt. Hieruit volgt echter, 1) dat eigenlijk gesproken,
alle éénlettergrepige woorden geene quantiteit bij ons hebben,
dewijl geene verhouding van de eene syllabe tot de andere in
hen plaats heeft; 2) dat in drie- en meerlettergrepige woorden
de quantiteit van ééne of meer lettergrepen ook vrij onzeker
is; 3) dat zelfs in tweesyllabige woorden, voor zoover zij
samengesteld zijn, (b.v. nachtlicht, aardbol) weinig quantiteit
heerscht, daar ieder deel den nadruk van uitspraak of het
accent schier evenzeer naar zich trekt (*); 4) dat, ten ge-
volge van het gezegde, in onze gewone rijmende versmaten
slechts die verzen ons stuiten, welke regelrecht tegen het ac-
cent indruischen; b.v. de tweede regel van de volgende plaats
uit hooft, waarin de slaap wordt aangesproken:
Zoo zijt ghy welkoom my in mijnen bangen noodt,
ö zorg i zachten | de slaap, | ghy namacgh van de doodt;
Die stHlen kunt alleen het knaegen van mijn smarten.
Die u ontfermen laet der afghepijnde harten.
En noodight 't matte lijf en afgetreurd gemoedt
Nu tot de volle kroes van het vergeetelzoet.
(') Het eerste evenwel 'I incest. Zie § 109.