Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
hij niet konde zeggen : daar er een raasde, in plaats van daar
raasde er een; evenmin als, maar, dat ik van hem hoorde
al, in plaats van maar al, dat ik enz. enz.
Bekend is het dus, dat wij verschillende woordenschikkiu-
gen hebben, naarmate de rede vragend of niet vragend,
wenschend of niet wenschend, aansprekend of niet aanspre-
kend enz. zij. Want vraag ik b. v. is hij het ? zoo plaats ik
het woord is vóór het woordje hij; zeg ik integendeel, zon-
der te vragen : hij is het, zoo komt is achter hij. — Van 's ge-
Ijjken is onze woordenschikking dikwerf geheel anders in eene
stellige, dan in eene niet stellige, ondergeschikte of afhanke-
lijke rede. Wij zeggen b. v. stellig: het is waar, maar, niet
1 2
stellig sprekende, zeggen wijniet: ik weet niet of het waar,
2 1
maar of het waar is. Hierdoor kan zich, (als hierboven ge-
zegd) volgens de schraudere opmerking van bilderdijk, onze
subjunctiviis van den indieativus onderscheiden, zonder dat het
noodig zij, tot de gewone veranderingen des werkwoords zelfde
toevlucht te nemen. Immers de latijnsche subjunctivus sit in
plaats van den mrfj'caituks est, als men zegt: nescio,an verum
siT, drukt zich bij ons door de plaatsing uit: ik weet niet,
of het waar is, in stede van ik weet niet, of het is waar.
De subjunctivus is dus kenbaar, al zegt men ook niet eens
ik weet niet, of het waar zu.
Men spreekt ook wel in onzen stijl van eene zoogenaamde
natuurlijke en van eene kunstige woordenschikking. De heer
van Zuylichem, bij ééne zijner nichten, zoo het schijnt, te
gast geweest zijnde, en zich in haar gezelschap verveeld
hebbende, zong vernuftig:
Vraeght ghy my, of ick ook versadight ben 9 — O ja, jücht!
lek ben. heel wel door u, en meer van u versadight!
Hier is de woordeuschikking zoogenaamd natuurlijk. Zij zoude
iu den tweeden regel meer dus genoemd kunstig geweest zijn,
stond er, in plaats van ik ben heel wel enz , met eene andere