Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
164
leunde, is de leer van de lengte of de kortheid van toon
der nederlandsche lettergrepen en der daaruit gevormde
woorden in de uitspraak, vooral beschouwd in betrekking
en toegepast op het werktuigelijke der dichtkunst en harer
verschillende versmaten. Hetgeen men meest lengte en kort-
heid van toon noemt, zou bij ons dikwerf even goed, ja
beter, hoogte en laagte van toon kunnen geheeten worden.
§ 190.
De lengte en kortheid van toon der lettergrepen en woor-
den in eene taal hangen van twee dingen af, of namelijk
van hetgene men het accent of de klemtoon, of van hetgene
men de quantiteit noemt.
§ 191.
Het accent is tweederlei, namelijk het woordaccent en het
redeaccent. Het eerste, welk men in alle woorden aantreft,
maakt hoofdzakelijk ééne lettergreep (soms echter ook meer)
van een woord in de uitspraak langer, of liever hooger van
toon, dan de overige. Het valt in echt-nederlandsche, niet
samengestelde woorden altijd op het zakelijke deel des woords,
gelijk wij dit hierboven in § 184 gezien hebben. Het rede-
accent bepaalt zich zelden tot enkele lettergrepen, maar
bestaat in de verhooging of den meerderen nadruk van
stem, welken wij, onder het spreken, aan het eene woord
boven het andere geven. Deze is dus , zooals te begrijpen
valt, zeer weifelend. Als huygens op het portret van een
.schoon meisje aardig, schoon misschien een weinig valsch-
reruuftig, zingt:
derlijke voorlezingen eens nader uit te breiden , en mtusschen aan
de jeugdige beoefenaars eene kleine handleiding te verschaffen. In
de leer onzer prosodie blijft altijd echter nog veel duisters, en het
mechanismus onzer gewone versmaten moet meer gevoeld, dan ge-
leerd worden.