Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
145
maar in al zijne letterklanken, letterverbindingen enletter-
vereenigingen zorgvuldig ontleden, en al deze groudbestand-
deelen tegen elkander wikken en wegen. Heeft men dit met
oplettendheid gedaan; weet men, welke letteren wij ge-
woon zijn bijeen te voegen, welke andere wij zulks nimmer
doen, welke vocalen wij het meest en liefst gebruiken, op
wat wijze wij ze met consonanten vereenigen, hoevele en
hoedanige diphthongen en triphthongan (twee- en drieklanken,
zie § 7) wij bezitten, welke overgangen van de eene vocaal
op de andere bij ons plaats grijpen, en wat dies meer zij,
dan komt vervolgens de toonkunstige schatting van de meer-
dere of mindere zoetvloeijendheid te pas, die aan deze onze
letterverbindingen, in vergelijking van die van andere talen,
eigen is. Wij hebben echter den weg, welke b^ een zoodanig
onderzoek te bewandelen valt, een' weg, waarop de geleerde
en scherpzinnige kinker zoovele geurige vruchten en bloe-
men geplukt heeft, hierboven in § 4 reeds meer of min af-
gebakend.
Ten slotte van dit paar woorden over de zachtheid en zoet-
vloeijendheid onzer taal roepen wij haar met onzen loots toe :
Wat grootsche nrakels stort gij uit,
Hier met de klem der donderslagen,
Baar zacht, als 't lieflijk lentedagen.
En zangerig, als Orfeus' luit!
Iets over de kracht en sterkte, en het klankrijke en
klanknabootsende van het Nederlandsch.
I 183.
Indien het zangerige en mollige der klanken van orfeus'
luit (om op de zoo even aangehaalde verzen van den heer
loots nog eens terug te komen) door dezen en genen aan
onze taal ook al betwist moge worden, de klem der donder-
II. 10