Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
141
scher moge worden uitgesproken (*), echter voor ons wel-
luidender boefje, groefje (d. i. kuiltje), boompje, meisje ^
knaapje, paardje , klokje enz. wijken moeten. — Het scherpe
Hoffnung staat in het aangehaalde gedicht van schiller
voor ons zachter hoop; schmeicheln vertegenwoordigt ons
liefelijk vleijen; pflanzt ons weeker plant. — Wij hebben
toch in onze geheele taal geene letterverbindingen, als daar
zyn der Hoogduitscheren pf, pfl, pfr, die iets onaangenaam
blazends en sissends hebben, gelijk te merken is in de
duitsche woorden Pßug, Pfropf, Pferd, Pfeife enz. ploeg,
prop , paard, pijp bij ons. De hoogduitsche schl, schw ,
sehn , schm , in schlagen , schweigen , schnauben , schmach
enz. zijn ons ook onbekend, zeggende wij eenvoudiger
slaan, zwijgen, snuiven, smaad. Dit baat ons echter, wat
zachtheid van uitspraak betreft, minder, dan dat wij de
woorden soms niet zoo kort afbreken. Het snauwende hoog-
duitsche dem Herrn (derden naamval van der Herr) b.v.
rekken wij zacht uit tot den Heere. Fremdling wordt bij
ons vreemdeling, Säugling zuigeling, findling vondeling enz.
Van onze zoetvloeijende tweeklanken aai, ooi, oei, ieu
weet de Hoogduitscher niets, zoodat b.v. zijne geheele
taal geen woorden oplevert, waarin zulk eene italiaansch-
welluidende versmelting van klanken heerscht, als in ons
nederlandsche zoetvloeijendheid , tooijen en soortgelijke meer.
Om kort te gaan: wij stapelen in sommige gevallen de
consonanten noch zoo veelvuldig opeen , als de Hoogduit-
schers, noch gebruiken zooveel de hardere, als zij doen,
noch zjjn zulke beminnaars vau eene blazende en sissende
uitspraak, als onze germaansche taalbroeders. Ik twijfel
er dus zeer aan , of men in het Hollandsch wel een' zin
zoude kunnen samenstellen, gelijk aan den volgenden ,wel-
(■) Want geen Hollander moet zich in het hoofd zetten, dat men
in de beschaafde kringen van Duitschland die ch even scherp uit-
spreekt, als wij zulks op zijn Hollandsch doen zouden. En ditzelfde
geldt van vele andere hoogduitsche letterklanken.