Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
140
Nach einem glückliehen goldenen Ziel
Sieht man sie rennen und jagen ;
Die Welt wird alt und wird wieder jung;
Doch der Mensch hofft immer Verbesserung.
Die Hoffnung führt ihn ins Leben ein;
Sie umflattert den fröhlichen Knaben ;
Den Jüngling begeistert ihr Zauberschein ;
Sie wird mit dem Greis nicht begraben ;
Denn beschliesst er im Grabe den müden Lauf,
Noch am Grabe pflanzt er die Hoffnung auf.
Iis ist kein leerer schmeichelnder Wahn ,
Erzeugt im Gehirne des Thoren ;
Im Herzen kündet es laut sich an ,
Zu was besserm sind wir gebohren ;
Und was die innere Stimme spricht,
Das tauscht die hofjende Seele nicht.
Hier heeft men b.v. in träumen. Tagen, alt, umflattert,
Thoren , laut, telkens de t, waar bij ons in droomen, dagen,
oud, omfladdert, in het oude door (dat is zot), in luid
«nz. de d voorkomt. De f en b, in fröhlich , Leben , begra-
ben , bekleeden de plaats van onze v in vroolijk , leven , be-
graven. Het scherpe nicht staat voor ons smeltende niet.
Het sissende Zauberschein wordt gebruikt voor ons meer
vloeijende fooverschijn; spricht, waarin de ch , door een' van
Duitschlands beroemdste taalkenners een terugstuitende
klank genoemd, zich hooren doet, vervangt ons spreekt.
Op dezelfde wijze zeggen de Hoogduitschers dus ook met
wat harder klanken dan wij, nach , Sehmach, Bübchen ,
Grübchen, Büumchen , Mädchen, Knäbehen (of Knc.blein),
Pferdchen, Glöckchen , welke woorden , hoe zacht en naar
j zweemende de ch daarin ook door een' beschaafd Duit-