Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
134
höckeln, streicheln, träufen, träufeln, tröpfehi (van triefen), faulen-^
zen, einschläfern, räuchern, männern (d. i. als man zieh gedragen
of ook, naar den man verlangen), lockern, hebern, höbern beben)^
blxnkern, flistern, flattern, schläfern, hungern, rindern (d. i. naar
den stier verlangen), bekräftigen, peinigen, sündigen, schtucksen,
schluchsen , hummsen, summsen, quacksen , drechseln, drieseln ^
drillen, winseln, füchseln (d. i. naar den vos rieken, zooals höckeln
naar den bok), runzeln, schmunzebi, blinzeln, helfen (d. i. sterk
blaffen van bellen), reitzen , reitein , reitern, rütteln, ritzen (vait.
reiten, in zijne primitieve, uitgestrekte beteekenis), fegen, fachen^
fächeln, fächern, fochern (d. i. hol ademend wind maken), fackeln
(d. i. hevig en herhaald bewegen) van faken (d. i. al bewegende een
weinig wind maken), en soortgelijke meer, die echter juist niet al-
len in de sierlijke spreek- en schrijftaal behooren, en waarmede men
diegenen niet verwarren moet, welke onmiddellijk van substantieven
of adverbiën afstammen, en geene rechtstreeksche derivaten van
werkwoorden zijn.
Hebben wij ook zulk een groot aantal van dergelijke woorden'?
Enz. enz. enz.
Iets over de zachtheid en zoetvloeijendheid onzer taal,
§ 179. ■
Door de zachtheid en zoetvloeijendheid eener spraak ver-
staan wij het mollige, en, om het zoo te noemen, fluweel-
achtige van hare woordklanken voor het gehoor. Op deze
eigenschappen nu, geloo-en wy, dat ons Nederlandsch alt^'d
meer of min aanspraak kan maken. Hiermede willen wy
echter niet beweren , dat onze taal te dezen opzichte met
elke andere taal van Europa in het strijdperk zoude kunnen
treden. Tegen het Italiaansch ten minste zoude zij, wat het
punt van zachtheid betreft, een' harden kamp hebben door
te staan, en het buiten allen kijf moeten verliezen. De
noordsche talen zijn te rijkelijk met medeklinkers en harde
keelletteren voorzien, dan dat zy het zacht-lispeleude, sui-
zende, fluit- en nachtegaalachtige der zuidelijke en zuidwes-
telijke talen van Europa zouden kunnen evenaren. Onze
spraakwerktuigen lijden te veel door den invloed van ons