Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
124
Hoe gepast-deftig en hoogdravend integendeel drukt hel-
mers zich uit, als hy (tegelijkertijd den portugeeschen
dichter camofins en onzen antonides meer of min nabootsen-
de), op de volgende wijze het spooksel beschrijft, dat den
nederlandschen Admiraal houtman, bij de Stormkaap of de
Kaap de Goede Hoop, verschynt, eu hem tot den verderen
tocht naar de Oost aanmoedigt. Het zij mij vergund, ook
deze prachtige dichterlijke bloem bij de overige te voegen,
waarmede ik de dorheid, die een handboek hier en daar licht
kan hebben, wat gepoogd heb te verlevendigen:
Daar heerscht de nevelvorst, die reeds, sinds Gamd's dagen,
Elk scheepVing van den Taag met siddering heeft geslagen.
Vlak bij der Stormen kaap steekt hij, bij *tivoest geluid
Der baren, 't vreeslijk hoofd door rif en branding uit.
Hij rijst verschriklijk op, en schijnt een rotsgevaarte,
Dat met orkanen spot, gesteund door eigen zwaarte.
Voor dapp'ren Houtmans oog slechts zigtbaar, staat hij daar.
De winden vliegen, en doorwoelen 't golvend haar.
Zijne oogen staan, gelijk twee holen in het donker.
En nev'lig is 't gelaat, als *t vroege daggeflonker.
Eer nog de glans der zon de ontwakende aard bestraalt,
Maar flaauwe purpergloed reeds de oosterkim bemaalt.
Zijn fors gespierde vuist beklemt een schrikbare roede.
Gelijk aan d'oudsten eik, dien Etna's bosch ooit*voedde;
Zijn stem is, als 't gedruisch van Magara's val.
Die van de rotsen schuimt in 7 wederkaatsend dal.
Ik herhaal het: eene prachtige dichterlyke bloem, al moge
ook een enkel blaadje zoo frisch en kleurig niet schijnen, als
de overige.
8) Dat onze taal een* grooten rijkdom ten toon spreidt in
uitdrukkingen, spreekwazen en spreekwoorden, van visscherij,
handel en zeevaart ontleend, ^^oorzeker blinkt deze eigenaar-
digheid in geene taal van Europa zoo sterk misschien uit, als
in de onze, en overal in haar ziet men, waar al zoo de voor-