Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
r-"
120
Welck is de rijckste tael, en hoe d'een meer als d'ander?
En spreken niet alom de menschen met malkander ?
En kijft men ergens niet, en vrijt men niet alom ?
En staat men ergens hij gehreek van woorden stom ?
En isser volck min rijck van woorden, als van saken ?
En, quamen der te kort, soud' elck geen' woorden maken ?
En maken der alom de snapsters niet te veel?
'k Houw s' all' al even rijck; — maer wenschte voor mijn deel.
Dat d' onse d' armste waer, en altijd soo sou hlijven.
Ten minsten hadden wy wat min geruchts van wijven.
Inderdaad, elke taal, die door een beschaafd volk gespro-
ken v?ordt, zal, op zich zelve beschouwd, altijd rijk genoeg
zijn, dat wil zeggen, men zal er altijd zijne denkbeelden en
gewaarwordingen wel in mogen uitdrukken, moge dit dan
soms op eene meer, soms op eene minder gemakkelijke en
beknopte wijze geschieden. Slechts in dit minder of meerder
gemakkelijke en beknopte kan de eene taal, vergelijkender-
wijze, het van de andere winnen of verliezen. De eene taal
kan of grooter voorraad van woorden in het algemeen hebben,
dan de andere; of wel zij kan vruchtbaarder zijn in allerlei
wendingen en spreekwijzen, die zij met behulp dier woorden
weet te maken; of wel, ten derde, zij kan hare mededingster
in vatbaarheid en geschiktheid, wat het gemakkelijk vormen
van woorden aangaat, overtreffen, dat is, zij kan meer aanleg
hebben tot rijkdom, dan deze. De eerste soort van rijkdom
kan men lexicalen rijkdom, dat is, een' blooten woorden-
rijkdom heeten; de tweede intensieveu rijkdom, dat is, kracht
of vermogen, om van de voorhanden zijnde woorden tot het
uitdrukken van allerlei wendingen der gedachten gebruik te
maken; en de derde buigzaamheid of vormbaarheid. In deze
verschillende opzichten behoeft onze spraak voor weinigen ach-
ter te staan, zeker ten minste niet, wat intensieveu rijkdom
en vormbaarheid betreft. Of zij, die slechts in een klein land
gesproken wordt, juist evenveel woorden bezitte, als b.v. het
Hoogduitsch, dat uit zulk een groot aantal van volksdialecten