Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
Noord- als Zuid-Nedei lander te noeiaen is) petrus üathenus, den
bekenden Psalnnberijmer, lucas de heere, peter heyns, jan bap-
tista nou%\aert, filips numan, jeronimus van der voort. karel
van mander, cornelis van kiel of kilianus, (den schrijver van
het bekende, onschatbare oud-nederlandsche woordenboek) Christof-
fel plantijn of plantinus, emanu£l van meteren, (verdienstelijk
historieschrijver) en meer anderen, die in het begin, in het midden,
of op het einde der zestiende eeuw in Brabant en Vlaanderen ge-
bloeid hebben ?
55) Welke schriften van eenig belang heeft Noord-Nederland in
de zestiende eeuw opgeleverd? En wat in het bijzonder zijn de ver-
diensten van dirk volkertsz. coornhert, roemer visscher, en
hendrik laurentsz. spiegel, geboren de eerste in ISS'i, de tweede
in 1547, en de derde in 1549? In hoever kan men vooral deze drie
mannen als grondleggers van een beteren smaak bij ons aanzien ?
56) Welke zijn de verschillende, zoo grootere als kleinere, oorza-
ken, dat onze vaderlandsche letterkunde, geheel de zeventiende eeuw
door, vooral echter bij haar begin en midden, in Noord-Nederland,
of in de toen zich afgescheiden hebbende Vereenigde Zeven Provin-
ciën zoo bloeide, en waardoor is zij in de Zuidelijke Nederlanden,
die vroeger veel meer schrijvers dan de Nooidelijke hadden opgele-
verd, gedurende de zeventiende en de achttiende eeuw tot op onze
dagen toe, blijven stilstaan, ja, mitsgaders de geheele nederlandsche
taal, daar meer en meer in verval geraakt? Op welke schrijvers van
eenige verdiensten hebben evenwel Brabant en Vlaanderen in de
gemelde tijdperken toch nog kunnen roemen?
57) Met welk recht verdienen pieter corneliszoon hooft (geb.
1581, gest. 1647), joost van den vondel (geb. 1587, gest. 1679),
jacob cats (geb. 1577, gest. 1660) en constantijn huygens (geb.
1596, gest. 1687) boven alle overige schrijvers als de vier grootste
mannen onder de nederlandsche letterkundigen der zeventiende eeuw
te worden aangezien?
58) Uit welk oogpunt moet men vondel beschouwen? In wat
soort van poëzie heeft hij uitgemunt? Wie heeft hij zich in het treur-
spel bijzonder ten voorbeeld gesteld? Wat valt er van de neiging tot
platheid te zeggen, die hem door sommigen wordt te last gelegd?
Van hoe velerlei aard zijn zijne hekeldichten? In hoever kan men
den oud-engelschen dichter shakespear en vondel met elkander
vergelijken'^ enz. enz. Wat is' ons van den piozastijl van vondel
bekend ?
50) Uit welk oogpunt moet men de tooneelspelen van een der