Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
112
■wijzigingen moet men in het algemeen het zeggen : dat de arinvang
onzer nederlandsche taal en letterkunde van het laatste der dcf'
tiende eeuw dagteekent, altijd verstaan?
36) Wien heeft men als schrijver van den zoogenaamden Esopet of
Fabelen van Esopu^, welke oud-nederlandsche vertaling door som-
migen tot de dertiende eeuw gebracht wordt, aan te zien?
37) Van welke vermoedelijke dagteekening, en van welken aard
zijn de vournaatnste meer of min bekende oud-nederlandsche ridder-
romans , als b. v. die van Karei en Elegast, van Walewein , van de
Kinderen van Limborch, van Ferguut en Galiëne, van Florys en
Blansefloer j van Seghelyn van Jerusalem enz. ?
38) Is de zoogenaamde Starrekunde of Natuurkunde van 7 Ge-
heelal ook tot de dertiende eeuw te brengen ? Wie is de maker van
dat werkje? Heeft men nog andere soorlgelyke geschriften?
39) In welk tijdperk behoort de oud-nederlandsche berijming van
Heintje de Vos?
40) Kan men de oud-nederlandsche letter-werken , opgenoemd in
§ 173, allen tot de veertiende eeuw brengen? Ten aanzien van welke
dier werken is zulks eenigszins onzeker? Zijn er, behalve de gemelde,
nog andere stukken uit die eeuw?
41) Moet men claes willemsz voor den dichter van den zooge-
naamden Minnen-loep, of der Minnen loep of loop houden ?
42) Welke schrijvers uit de veertiende eeuw mag men vermoede-
lijk Noord-, en niet Zuid-Nederlanders noemen? Was b. v. willem
van hildegaertsbergh een Hollander, ot'een Vlaming?
43) Wat valt er over de echtheid of onechtheid der rijmkronijk
van klaas kolijn Op te merken?
44) Welke is de staat en het getal onzer oude handschriften ?
45) Naar welke grammaticale regelen hebben onze oudste neder-
landsche schr ijvers geschreven , en waarin is de hier en daar thans
wat Hoogduitsch schijnende kleur hunner taal zichtbaar ?
46) Ivan men de delftsche bijbelvertaling van 1477 (waarover le
LONG, Boekzaal der Nederduitsche Bijbels) reeds tot de veertiende
eeuw brengen ?
47) Wie waren de Rederijkers? Welke voor- en nadeelen iiebben
zij onzer taal en letterkunde toegebracht? Staat hunne o p- en in
richting met die der oude zoogenaamde Meesterzangers in Duitsch-
land jn verband? enz.
48) Bestaan er tegenwoordig nog hier en daar Rederijkkamers in
Noord- en Zuid-Nederland? In hoever kan men het bestaan der Re-
derijkers of Retrozijnen reeds uit de veertiende eeuw dagteekenen?