Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
111
28) Moet men karel den grooten onder de duitsche, of onder
de fransche vorsten rangschikken? En welke zijn zijne verdiensten
omtrent de oud-duitsche taal en letterkunde?
29) Welken invloed heeft de latijnsche taal op het Nederlandsch ,
en in het algemeen op het Duitsch uitgeoefend ?
30) Hoedanig is de invloed van het Fransch op onze taal geweest?
31) Wal bewijs heeft men ei' voor, dal het zwavische dialed, m
welke de oud-duiLsche minnedichters gezongen hebben, en waarin
hel vermaarde Nibelungenlied geschreven is, ook meer of min hier
te lande bekend is geweest?
32) Zoude onze tegenwoordige duitsche (nederduitsche) taal de
oudste in deze gewesten geweest zijn , en laten zich al de namen
van landschappen, steden en dorpen in ons vaderland uil duitsche
dialecten ophelderen?
33) Waaruit blijkt de oudheid der friesche dialecten , en behoort
het tegenwoordige zoogenaamde Land-Friesch , Friesch-Boersch of
Boeren-Friesch nog rechtstreeks daartoe? Wal valt nader omtrent de
oud-friesche wetten en de letterkunde van het oud-Friesch Ie zeggen?
Welke zijn de verdiensten te dezen aanzien van wiarda , rask ,
grimm en anderen? Welke die van wassenbergh, epkema? enz. enz
34) Men spreekt vaak van Kelten. Zouden zij in de oudsle lijden,
ook hier Ie lande woonachtig, m taal en voorkomen geheel verschil-
lend van de Germanen , of slechts een vroeger hier gekomen stam
-van Germanen geweest zijn? Zou men door hen ook 't aloude ver-
schil tusschen opper- en nederduitsche tongvallen (hl. 91), veel reeds
van 't Germaansch in het tegenwoordige Fransch (bl. 90), den meer-
deren samenhang dier laatste taal met ons Hollandsch (bl. 100), de
nederduitsche kleur van het Deensch , Zweedsch enz. (bl.93), enkele
grondtrekken van hel Friesch (bl. 100) en wal t^ies meer zïj, voor een
deel kunnen verklaren ? — Mitsgaders wat soortgelijke vragen over
dit duister onderwerp al meer zijn.
35) Schoon de schriften van eenen maerlant, melis stoke en
jan van helu bepaaldelijk zoo al de oudsle stukken van belang
zijn, die 1) in een volkomen kennelijk, van Opper- en Nederduitsch
onderscheiden Nederlandsch zijn geschreven, 2) de tijd van wiej-
ontstaan genoegzaam zeker is, en 3) de namen van wier makers lot
ons zijn overgekomen , zijn cr echter geene oorkonden van vroeger
dagteekening, waarin ook de nederlandsche tongval zich reeds vrij
duidelijk openbaart? Wat geldt te dezen aanzien b. v. van eenige
Psalmen, (waarover een woord in § 167) wal misschien van eene
enkele oud-nederlandsche keur of handvest enz, enz.? Onder welke