Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
eindelijk eens aan haar die achting bewijzen, welke hij, uit
louter onkunde, haar totdusverre maar al te weinig be-
toond heeft.
Met dit paar zeer vluchtige woorden over onze vroegere en
latere taal- en letterkunde neme men het in dit handboek
voor lief! Wij laten hier voorts nog eene reeks van vragen
volgen, bij welke en bij andere soortgelyke men de aandacht
van jonge lieden tot uitbreiding hunner kennis bepalen kan.
1) Welke taal moet men voor de oudste van alle talen des aard-
bodems aanzien, de hebreenwsche, de arabische, de grieksche, de
duitsche (hoog- en nederduitsche), of welke andere?
2) Kan men onze taal even goed, als het tegenwoordige Hoog-
duitsch, voor eene rechtstreeksche telg van het oude Duitsch in het
algemeen houden?
3) Welke zijn de oudste schriftelijke oorkonden, die men in het
Fransch heeft?
4) In hoever is het Fransch eene dochter van het Latijn, in hoe-
ver uit de oud- gallische dialecten voortgesproten ?
5) Hoedanigen invloed heeft het doode veler woorden en grondbe-
standdeelen van het Fransch op de geheele fransche taal, stijl en
letterkunde?
6) Hoe laten zich de fransche woorden, in § 162 opgenoemd, uit
de oude duitsche dialecten ophelderen, en waaruit blijkt het, dat
deze woorden uit het Duitsch, en niet omgekeerd de duitsche uit
het Fransch afkomstig zijn?
7) Waarin is de verwantschap onzer taal en der duitsche spraak
in het algemeen met het Grieksch zichtbaar ?
8) Welke geschiedkundige gronden heeft men voor de aloude maag-
schap der oud-duitsche en grieksche volkeren?
9) Waarom houden sommigen het Duitsch nog voor ouder, dan
het Grieksch ?
10) Waaruit blijkt het, dat de duitsche taal reeds sinds onheuge-
lijke tijden in de duitsche gewesten bestaan heeft? Vindt men reeds
sporen van duitsche woorden bij grieksche schrijvers?
11) Welke overeenkomst leeren de Geleerden ons, dat er bestaat
tusschen het Perzisch en de duitsche talen, en welke voorbeelden
van gelijkheid heeft men tusschen de zeden der oude Germanen en
Perzen ?
12) Wat verstaat men door het Sanskritisch, en waarin vertoont