Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
Priesland is overgebleven, draagt, zooals bekend is, den
naam van Land- of Boerefriesch, omdat het de volkstaal der
landbewoners uitmaakt. Dit nederlandsche Boerefriesch, dat
door kracht, zoetvloeijendheid en welluidendheid uitmunt, en
vooral in den mond van vrouwen soms liefelijk klinkt, heeft
meer, dan eenig ander friesch dialect, eene soort van klas-
siekheid gekregen, door hetgene er bij herhaling in geschre-
ven en gedrukt is geworden, of van tijd tot tijd nog wordt.
Hoeveel naam de beroemde dichter gy.sbert japic.x aan die
taal gegeven hebbo, is wereldkundig. De middelburgsche
Rector epkema. heeft op de werken van den genoemden
frieschen hoofddichter een Woordenboek geleverd, waardoor
niet alleen de taal der gedichten voor iederen lezer wordt
opgehelderd, maar ook aan de nederlandsche taalkunde uit-
nemende diensten zijn bewezen.
§ 171,
Al de bovengemelde oud-duitsche dialecten hebben zonder
twijfel op onze taal, de eene meer, de andere minder, heur'
invloed uitgeoefend, en aan haar die grondkleur en grondge-
aardheid gegeven, welke zij heden bezit. Dat zij over het
algemeen (sommige uitzonderingen daargelaten) tot de bene-
den of nederduitsche tongvallen behoort, ziet iedereen, die
het karakteristieke onderscheid tusschen de hoogere en lagere
.lialecten onderzocht heelt. Van bet sissende, suizende en
blazende, dat aan de opperduitsche berg-dialecten, in over-
eenstemming met de slawische of slavonische talen (het Rus-
sisch, Poolsch en Boheemsch) eigen is, en dat in het tegen-
woordige Hoogduitsch, ol in de beschaafde spreek- en schrijf-
taal van geheel Duitschland, zich sterk hooren doet, heeft zij
weinig aangenomen. Hierin is zij gelijk aan al de platduit-
sche tongvallen in hot noorden van Duitschland, alsmede aan
het Deensch , Zweed^ch enz. Zij bemint in vele gevallen de
zachtere consonanten. (Zie hieronder het hoofdstuk over de
zachtheid van het Nederlandsch.) Zoo ook zoetvloeyendp sa-