Boekgegevens
Titel: Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Deel: Dl. II Spraakkunst, stijl en letterkennis
Auteur: Lulofs, B.H.; Jager, Arie de
Uitgave: Amsterdam: A. Akkeringa, 1875
4e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6235
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201324
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mr. B. H. Lulofs' taalkundige werken
Vorige scan Volgende scanScanned page
Maar de woordenschikking is af te keuren in die dichtregelen
deszelfden beroemden mans, welke getiteld zijn Sprekensvrucht.-
De dood sitt in de tong en 't leven. — Elck moet weten ,
Nadat er elck mê zaeyt, sal elck 'er vrucht van eten.
Over de zeer onderscheidene woordenschikking, die de eene
taal in vergelijking der andere heeft, kan men belangr^ke na-
sporingen doen. Verschillende vragen bieden zich hier ter
beantwoording aan, als b. v.: Wat is eene natuurlijke, met
den gang der menschelijke gedachten overeenkomende, woor-
denschikking? Welke zijn de oorzaken, dat de woordenschik-
king in verschillende talen zoo verschillend is? Welke woor-
denschikking bevordert het meest de duidelijkheid? Welke
de sierlijkheid? Welke de kracht en den nadruk van stijl?
Wat maakt het eigenaardige uit in de woordenschikking der
oude talen, het Latijn en Grieksch? Wat voordeelen heeft de
woordenschikking dier spraken boven die van de meeste heden-
daagsche vooruit? Wat is de reden, dat men in het Latijn en
Grieksch de woorden met zooveel meer vrijheid kan rangschik-
ken, dan in vele nieuwere talen? Welke van die nieuwere talen
zijn door haar samenstel en hare grammatikale vormen het
meest geschikt, om de woordenschikking der oude spraken na
te bootsen? Hoe is de woordenschikking in het Fransch en in
de daarmede vermaagschapte talen, het Italiaansch, Spaansch
en Portugeesch? Waardoor onderscheidt zich de engelsche
woordenschikking? Is deze laatste natuurlijk of onnatuurlijk,
gepast of ongepast te noemen? Wat valt er op te merken ten
aanzien der woordenschikking in hetHoogduitsch enz. enz. enz.?
§ 103.
Het zij genoeg, hier ter plaatse deze vragen, wier getal nog
aanmerkelijk vermeerderd zou kunnen worden, bloot te heb-
ben opgegeven. Wat onze eigene taal betreft, men kan te
haren opzichte in het algemeen aanmerken, dat de nederland-
sche woordenschikking zeer gepast is, om ons het geheel der