Boekgegevens
Titel: Methodiek van het zangonderwijs in lagere scholen en zangscholen
Auteur: Letzer, J.H.
Uitgave: Schoonhoven: S. & W.N. van Nooten, 1897
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6125
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201287
Onderwerp: Theaterwetenschap, muziekwetenschap: vocale muziek
Trefwoord: Zingen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Methodiek van het zangonderwijs in lagere scholen en zangscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
(65
bundels gescMedzangen, in den waren zin des woords
volksliederen, op bijzondere voorvallen uit de vaderlandsche
geschiedenis, o. a. „ Wilhelmus van Nassauwm" en „Al is
ons Prinsje nog zoo klein". Het eerste is van alle oude
volksliederen wel het eenige, dat, en om verklaarbare
redenen, nog tot op onzen tijd gezongen wordt. „Eerst als
„ti'oostlied, later als opwekkingslied en krijgsrnarsch gezongen
„op de wijs van Charles, een lied op Karei V." Eveneens
is het volkslied: „Al is ons Prinsje nog zoo klein" te rekenen
onder degene, die aan de vergetelheid zijn ontrukt.
In het laatst der 17de eeuw en in het begin der
volgende waren de zoogenaamde Mopsjes of Liedeboekjes
0. a. in Noord-Holland algemeen in gebruik en had bijna
iedere stad haai" eigen „Liedeboek". Op aanzienlijke partijen
of bruiloften werden deze boekjes den gasten aangeboden. En
nu? Zou het gezegde van Multatuli waarheid behelzen,
dat ons volk eigenlijk niet zingt? Als men hoort, dat brok-
stukken van opera-melodieën, door straatorgels geïmporteerd,
uitgeschreeuwd worden, doch een vroolijk onschuldig, naïf
of humoristisch lied nauwelijks meer gehoord wordt, zou
men bijna aangehaald gezegde onderschrijven. Waar zijn zij ge-
bleven, de volksliederen, voorheen door velen gekend en geliefd^?
In den huiselijken kring, op feest- en hoogtijden, bijna zonder
uitzondering werden ze aangeheven. Wie kent nu nog de echt
humoristische volksliederen, als: „Schilder, 'k uil mij zelf
eens zien"; „Kolijn, een brave boerenzoon"; „Wat icordt het
laat, de klok slaat acht"; „Mijnheer Van Soll is een brave
kapitein"; „Daar komt Paul Jonas aan", en meer andere?
Hoort men wel ergens anders zingen — gillen zou men haast
zeggen — dan op kermissen, op zwelgpartijen en in herbergen,
waar men meent zijn vreugde door helsch geschreeuw lucht