Boekgegevens
Titel: Methodiek van het zangonderwijs in lagere scholen en zangscholen
Auteur: Letzer, J.H.
Uitgave: Schoonhoven: S. & W.N. van Nooten, 1897
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6125
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201287
Onderwerp: Theaterwetenschap, muziekwetenschap: vocale muziek
Trefwoord: Zingen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Methodiek van het zangonderwijs in lagere scholen en zangscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
(u
verwijderd, d. i. de stand der monddeelen is daar het meest
veranderd.
Wat er bij eiken klinker afzonderlijk valt op te merken,
zullen wij nog in het kort bespreken.
a (aa) is voor den zang de gunstigste klinker, want hij
laat tot uitstrooming van den toon een goede mondopening
toe. Evenwel hoort men hem zelden zuiver klinken en
menigmaal naar o zweemen. Van de monddeelen gaat de
kin tamelijk benedenwaarts; de tong raakt met de uiterste
spits de ondertanden en ligt voor het overige effen en vlak;
de lippen sluiten om de tanden en behalve de buitenste
punten van de boventanden moet van deze niets te zien zijn.
Voor kinderen, wien het zeer moeielijk valt de tong vlak
te houden, is het volgend middel aan te bevelen: n. 1. dit
lichaamsdeel meteenlepelsteel of een vouwbeen neer te drukken.
e (ee). Nadat o gezongen is, laat men, door de kin een
weinig op te heffen, den mond eenigszins sluiten. De mond-
hoeken worden integendeel naar de ooren heen bewogen; de
lippen sluiten zich goed om de tanden; de tongrug wordt
onmerkbaar opgelicht. Menigmaal hoort men e aan het einde
overgaan tot i. Dit moet vermeden worden, evenals de uit-
spraak der e gelijk in irereld. Bij de zangoefeningen wor-
den a met e afgewisseld.
i (ie). Bij dezen klinker beweegt zich de kin nog iets
meer dan bij e naar de boventanden, en de mondopening
wordt zijdelings nog breeder. De tanden moeten evenwel
zoover geopend blijven, dat de luchtstroom nog ruimte ge-
noeg behoudt om te ontwijken. De tongrug beweegt zich
insgelijks meer naar het gehemelte, doch de spits moet zoo
diep mogelijk liggen, ten einde de geringe mondopening
niet te sluiten.