Boekgegevens
Titel: Methodiek van het zangonderwijs in lagere scholen en zangscholen
Auteur: Letzer, J.H.
Uitgave: Schoonhoven: S. & W.N. van Nooten, 1897
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6125
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201287
Onderwerp: Theaterwetenschap, muziekwetenschap: vocale muziek
Trefwoord: Zingen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Methodiek van het zangonderwijs in lagere scholen en zangscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
(25
Noemt hij met gemak bij maatlezen of' noten zingen de
beide namen van dit paar noten, dan zal dit met woorden
even goed gaan.
De volgende maatoefeningen zullen doeltreffend zijn. Men
schrijve op het muziekbord eenige maten met onderdeelen
van den maatslag, vermengd met onverdeelde maatdeelen in
de maatsoort van 2, 3 of 4 slagen. De leerlingen slaan de
maat en lezen: ee-ne, twee-e; of ee-ne, twee; of een, twee-e;
of een, twee,-enz. Bij de maatsoort in drieën: ee-ne, twee-e,
drie-e; of een-e, twee-e, drie, of enz. enz. Met den maatslag
in vieren wordt eveneens gehandeld. Vervolgens worden bij
deze maatoefeningen - het is vooreerst voldoende, dat de
noten op één lijn, b.v. de_^ 2de lijn, zijn geplaatst — den
overeenkomenden naam genoemd en de noten in de maat
gelezen en daarna gezongen. Eindelijk worden eenige ver-
schillende noten op bovenbedoelde wijze opgeschreven, ge-
lezen en gezongen. Maatoefeningen met de beweging voor
een enkel onderdeel worden op de volgende wijze voorbereid.
„Maak de beweging voor het eerste; voor het tweede onder-
„deel alleen.' Laat de bewegingen zien voor een maatdeel
„plus het volgende onderdeel: ( J )."
De waarde van zoodanigen maatslag, zooals boven
is behandeld, en geheel verschillend van den meest gebruike-
lijken, komt helder aan het licht. Bij deze zijn de onder-
deelen niet zichtbaar, bij gene op sprekende wijze. Voor
den beginnenden leerling heeft deze manier van maatslaan
daarom zooveel voor op de andere, omdat de noten elk voor
zich afhankelijk zijn van de bewegingen der hand, of, wil men,
de, bewegingen afhankelijk van de noten. Dit komt vooral uit,
als een zangstuk met een onderdeel begint. De leei'ling weet
dan terstond met welke handbeweging dit moet beginnen.