Boekgegevens
Titel: Methodiek van het zangonderwijs in lagere scholen en zangscholen
Auteur: Letzer, J.H.
Uitgave: Schoonhoven: S. & W.N. van Nooten, 1897
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6125
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201287
Onderwerp: Theaterwetenschap, muziekwetenschap: vocale muziek
Trefwoord: Zingen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Methodiek van het zangonderwijs in lagere scholen en zangscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
(11
daarentegen zijn stem niet meester, dan wordt hij onwille-
keurig door de menigte meegesleept. Gewen den leerling
steeds aan zuiver gezang, laat nimmer toe, dat ook het
geringste den toets niet kan doorstaan en rust niet, voor
de grootst mogelijke zuiverheid weder verkregen is.
Onzuiverheid is dikwijls het gevolg van langdurig
zingen. Zorg mede voor frissche lucht; kies het zang-uur
liever bij den aanvang dan bij het einde van den schooltijd
en bedenk, dat de zin voor schoon en liefelijk gezang niet
vroeg genoeg kan ontwikkeld worden. Waar men eenmaal
gewoon is aan zuiver zingen, gaat dit voorts als van zelf,
en zal er weinig reden tot klagen wezen over het zoo-
genaamd zakken. Er zijn scholen, waar geen twee versjes
van hetzelfde lied kunnen gezongen worden, zonder op-
nieuw den rechten toon op te halen. Daarentegen zijn er
andere, waar men, eenmaal op den goeden toon begonnen,
meer dan één lied kan zingen, zonder verlies van den
oorspronkelijken toon.
Over de keus der liedjes nog een enkel woord. In elk
zangbundeltje komen, hoe vreemd dit ook moge schijnen,
liedjes voor, die voor het kind ongenietbaar zijn, zoowel ten
opzichte der woorden als der muziek. Vele kinderliederen
lijden aan het gebrek, dat zij te hoog van toon staan; andere
gaan den omvang der kinderstem te boven. Men kieze de
beste er uit, en mochten er onder zijn, die ons lijken, maar
aan bovengenoemd gebrek mank gaan, dan neme men zijn
toevlucht tot transponeeren. Zijn de woorden voor het
kind te hoogdravend, of gaan ze op andere wijze buiten
zijne bevatting, dan late men ze waar ze zijn. Ver-
plaatsen wij ons in den gezichtskring van een kind, dan
zullen wij ook denken als een kind.