Boekgegevens
Titel: Proeve van Platamsterdamsch
Auteur: Lennep, J. van; Halbertsma, J.H.
Uitgave: Deventer: J. de Lange, 1845
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6081
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201273
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Dialecten, Amsterdam (stad)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Proeve van Platamsterdamsch
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
mm
steward, bewijst het onbetwistbaar; want reece
zou niet van ge kunnen gescheiden worden, indien
ge tot het thema behoorde. Het Angels, heeit dan
ook ge-refa, graaf, en in eene menigte verba,
waar de Angelsaxen ge voorzetten, missen het
de Nederlanders. l)e Fries heeft feer waar de
Angels, heeft gefera. "VVat is nu refci ? liet is een
met het Scand. r!fr, largus; JVeerl. rijtje, id. Frisj
r/, id. De oude vokaal was echter e, gelijk wij
zien uit het perfectum van e in ge-rij'^en , com-
modare , ofhcium proestare ; proet. gereef; thans
verloopen tot gerijfde. Ge-refa is dus , qui of&ciuni
praestat. Mijn vriend Grimm volgt een geheel ander
gevoelen, te vinden Rechtalt. 753. Tegen deze e
in gerefa staat dikwerf eene Hoogduitsche a over
als in grafo. Gr. I. 91, 361.
Blz. 7. SNERTBALIE, ßaiie is eene scheeps-
tobbe ; snert noemt men aan boord groene erwten ,
om het marren, snerren, snerten , crepitum ventris
edere. J)e snert-bniie, de hak met gekookte
groene erwten, wordt door den pluimgraaf, die lie-
ver boutjes lust, met eenen viezen Jach aangekeken.
ALREE. De Engelsche zeelieden zeggen daar-
voor , ^U cJear! wanneer niets meer in den
weg ligt om eene scheepsmanoeuvre ten uitvoer
te brengen. In jagten en boeijers , die laveren ,
roept de man te roer, op het oogenblik , dat hij
wenden wil, aan den fokkeman , ßee ! ot ^tree !
RIJSTKADRAAÏJEN, met klein vaartuig de
rijst van de kust afhalen. Aadraai is in de
scheepstaal het vaartuig, waarmede zoetelaars aan
boord van groote schepen varen om hunne verver-
schingen uit te venten; ook zulk een zoetelaar
zelf. Dewijl deze zoetelaars alle kaaijen omvaren ,
waar schepen liggen , en om die schepen henge-
len en draaijen , worden zij hadraaijen genoemd ,
zegt Winschoten in zijnen Zeeman op dat woord.