Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
Opmerking 2. Sotlcn beteekent zoowel zullen als moeten (be-
hooren) ; b. V. Dat hadt-gij moeten doen, behooren te doen
boë Ijcittcn Sie t^un foUcn. Gij zult niet stelen bu jollft ni^t
ftcljlen. - SoUett en rooHen antwoorden dikwijls op elkaar;
b. V. (ïr mitt ni^t? (ïr foU. - 5)u jollft glcic^ (dadelijk) ïom=
men. ^d) rotd nic^t. — §crr Seljrcr )oII iii^ bie ïf)üre oufmad^en?
In deze vraag hgt tevens het werkwoord rooüen opgesloten:
de leerling vraagt immers naar den wil, naar het „mollen"
van den leeraar. — Evenzoo zal de leerling vragen : §err
Se^rer, foU ic^ erjt lejen ? (Vooral niet: Iföerbe ic^ erft lejen ?).
êollen komt ook met het Nederlandsche jwo6<e» overeen,
wanneer dit laatste zooveel als: men zegt, het gerucht wil
beteekent; b. v. Deze stad moet zeer ongezond zijn, men
zegt dat deze stad zeer ongezond is: bieje ®tobt jol! fe^r
ungefunb jein. Evenzoo: (5r joU on Oiift geftorfien jein.
Opmerk. 3. Het Nederlandsche werkwoord zullen is derhalve
in het Hoogduitsch nu eens merSeu dan weer foUcu; b. v.
Hij zal misschien nog komen, er roirb oicBeid^t nod) tommen.
Hü zal komen (ik beveel het), er folt fommen.
Opmerk. 4. Te zullen bij een' infinitief blijft in het Hoogduitsch
onvertaald, b. v. Hij beloofde mij te zullen komen, er oer=
jprac^ mir ju fommen. — Men kan echter ook dikwijls ju
rootten of ji/ müffen in de plaats van 't Nederl. te zullen,
gebruiken; maar nimmer ju merben; b. v. (ïr »erfptoc^ mir
fommen ju rootten. Hij vreesde te zullen sterven,- cr fürc^tetc,
fterben ju müffen.
Vertaal:
1.
De gezonde weet niet, hoe rijk hij is. Weet gij, of (ob) hij
kan komen? Neen, indien 1) ik het wist (Sonj.), zou ik het u
zeggen. — Wat gij niet kunt opbeuren 2), laat dat (o.) hggen.
Leer wat (roos), dan kunt ge wat.—Laat de rechterhand 3) niet
weten, wat de linker 3) ,doet. - Toen het huis brandde, ren-
den de paarden in de vlammen 4) (Acc.). Wiens huis is afge-
brand? It; kan en wil u den naam van den eigenaar 5) wel
noemen, maar gij kent den man niet. - Hij zond mij de schil-
derijen, die hij aan uwen oudsten broer had behooren te zenden.
Toen ik mij omkeerde 6), zag ik eene oude kennis, met wien
ik vroeger 7) aangename dagen aan de academie 8) had door-
'gebracht 9). Ik beloofde hem, spoedig te zullen schrijven; hij