Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
sesa
85
doet 5)." - De wolf kwam nader en opende 6) reeds den muil,
toen (alê) het paard zijne achterpooten 7) ophief en hem zulk
een' 8) slag gaf, dat hij bleef hggen.
Toen (al§)de wolf eens een schaap opat 9) bleef hem een been
in de keel 10) {Dat.) steken. In zijne angst (Dat.) beloofde hij
aan dengene een groot loon 11), die hem hielp (Jïonj. 3mperf.).
Dientengevolge 12) kwam de ooievaar, bood zijne diensten aan,
stiet zijn' kop in den wijden bek van den wolf en trok het
been eruit 13). Toen hij echter den wolf (Acc.) om het beloofde
loon vroeg 14), sprak deze : „Wil je nog loon hebben ? Wees
blü 15), dat ik je den kop niet heb afgebeten."
1) 9ïaèevr. 2) boS ®icti^t. 3) Vert. hetzelve. 4) Yexi. treft zich.
5) Vert. smart. 6) öffnen. 7) Vert. achtervoeten. 8) Vert. een'
zulken. 9) freffen (oO Derje^ren. 10) bie Sïel)(e. 11) ber Sot)n. 12)
folgebeffen (of) Xenijufolge. 13) ^erauë. 14) bitten. 15) fro^
4.
In het jaar (Dat.) 970 brak 1) er (o.) een groote hongers-
nood aan don Eün (Dat.) uit 1), zoodat 2) de menschen zelfs
honden ~ en katten aten en vele ongelukkigen van honger 3)
stierven. De bisschop van Mainz, Hatto II, een hard engièrig4)
man, zag zonder medelijden 5) hoe 6) de armé lieden op straat
(met Art.) neervielen en jammerlijk 7) omkwamen. Op (an)
zekeren dag (met Art.) verzamelde zich 8) een groot getal
noodlijdenden (Oen) 9) om Hatto's burg ; allen riepen om brood.
De bisschop weigerde^lO) het hun, ja schold 11) hen boven-
dien 12) nog uit 11), en liet hen, toen zij slechts (nur) des te 13)
dringender baden, allen grijpen 14) en in eene schuur (Acc.)
opsluiten 15). Daarop stak 16) hij de schuur iw 16). Toen
het gekerm 17) der slachtoffers 18) in zijne ooren (Acc.) drong,
riep de ellendeling : „Hoort, hoe de muizen piepen 19)!" - Maar
de booswicht kreeg 20) zijne straf: verbazende 21) zwermen 22)
van (Bon) muizen kropen uit de asch der verbranden 23) te
voorschijn en verschenen 24) in het bisschoppelijke 25) slot (Dat.).
Zij liepen over den wreedaard 26) heen (o.), beten hem, waar
zü maar konden, en dreven hem van de eene plaats (Crt) naar
(ju) de andere. Eindelijk liet hij bü Bingen een' toren midden 27)
in den Rijn (Acc.) bouwen en verborg 28) zich hier; maar 29)
de muizen zwommen door den stroom, en — hoewel 30) dui-
zenden verdronken 31), kwamen er nog genoeg over 32);
deze beklommen 33) den toren, vielen 34) hunnen vijand aan 34)
en vraten hem levend 35) op.
1) au§bre(fien. 2) fobai 3) Oenetief 4) geijig. 5) baê Witleib. 6) roie.