Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
geld moet (foU) men lachend teruggeven. Help u zelf, zoo helpt
u God. "Wat uit armoede geschiedt, moet men licht vergeven.
Frisch begonnen, half gewonnen. Er is geen voerman 5) zoo
goed, of (o.) hy rijdt 6) soms buiten (au§) het spoor. Hoogmoed
komt voor (oor) den val 7) (Dat.). Met de maat 8) waarmede
gij meet, wordt u weder gemeten. Niet mijn wil 9) maar uw
wil geschiede. Kunst is licht te dragen, maar zwaar op te
laden. De kruik 10) gaat zoo lang te water tot (6ië) zij breekt.
Eet wat gaar (gor) is, drink wat klaar is, spreek wat waar is.
Komt tijd, komt raad.
1) ber (gelobe, beê Sd^obcnê, Sol. bem Sii^oben, ben Stoben.
2) flug. 3) SRing m. 4) iïette vr. .5) gu^rmonn. 6) fahren. 7) ber goll.
8) ba§ fflioB. 9) ber SBille. 10) ber ftrug.
2.
Sterf, ellendeling ! riep de rooverhoofdman, terwijl 1) 'hij zijn
zwaard trok en dit 2) den verrader 3) (Dat.), welke den sol-
daten den weg had gewezen, in de borst (Acc.) stiet. Op (in)
hetzelfde oogenblik 4) (Dat.) kwamen de ' soldaten uit hun'
schuilhoek 5) te voorschijn 6), sprongen op de verschrokken
roovers (Acc.) toe (ju), wierpen ze ter aarde 7) en brachten ze
gebonden in de gevangenis 8) (Acc.). Slechts één van hen was
gewond; de verrader echter was zoodanig 9) getroffen gewor-
den, dat hij onderweg 10) stierf. Niemand beklaagde hem, zijn
dood liet allen onverschillig ; want men moge 11) soms het
verraad 12) beminnen, men haat altoos den verrader. - Toorn
baart 13) toorn. - Veeg 14) eerst voor je eigen deur (Dat.)
en (o.) help dan 15) den buurman. — Wie weinig spreekt, heeft
weinig te verantwoorden 16). — Men eet om te leven en leeft
niet om te eten.
1) wo^renb (of) inbem. 2) Vert. hetzelve. 3) S8erröter. 4) ber Slugen=
blid. 5) bet «etftecE. 6) jum ®otfc^ein (of) ^erbor. 7) ju «oben. 8)baê
©efängniä. 9) betmanen, bergeftolt. 10) unterwegê. 11) möge. 12) bcr
Sßcrrot. 13) gebiert (van : gebären). 14) fegen (of) teuren. 15) Vert.
dan help. 16) oerontmorten.
3.
Een jong paard weidde in de nabijheid 1) (Dat.) van een
bosch. Daar kwam een wolf uit het kreupelhout 2) te voor-
schijn, trad op het paard (Acc.) toe, sprak het 3) vriendelijk
aan en gaf zich voor (für) een' geneesheer uit. Het paard zeide:
„Dat treft 4) gelukkig; zie eens naar mijn' hoef, die mij zeer