Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
lehren, jiüucnben, ^ereintïctcn, J)incinge'^en ctc. in den Snfinitio met
JU worden verbonden, scliiijft men in het Hoogduitsch de
drie woorden aaneen, b. v.: Het is te laat om terug te kee-
ren, om hem in te halen, om binnen te treden enz. ift
3u fpat jurttitsufc^rcn, iljn einju^olcn, ^creinjutrctcn k. (Sr bot m\ä)
mitjugcfjcn, tjincinjuge^cn, ben 9Jlunb jujutjaltcn ac. — Ook het 2te
^Partijip van zulke samenstellingen wordt natuurlijk als
één looord bescliouwd, b. v. gr ift ^ineingcgonflcn, niitgcgongen,
jurücfgetctjrt ; cr ^at bic 3:f)üre äugcnmi^t; bie Sonne ift unterge=
gangen, u.
Vertaal: .
1.
Wie staat, zie toe dat hij niet valle. Wie zich in gevaar be-
geeft 1), komt daarin om. Wanneer gij beveelt, kom ik. Hij
houdt van (nuf) orde 2), en duldt niet, dat een zijner onderge-
schikten te laat komt (fionj.). Ziet gij niets ? Neen, ik zie niets,
maar ik hoor den postiljon 3), die een vi'oolijk stukje blaast.
Toen wij een kwartiertje 4) hadden gezeten, verzocht 5) hij
ons eene sigaar 6) op te steken 7). Wij verzochten den schip-
per ons over 8) te varen, maar deze antwoordde: Ik durf het
niet wagen 9); de rivier is sterk gezwollen en de wind blaast
vreeselijk ; indien wij omsloegen (ftonj.) waren (fionj.) wü red-
deloos 10) verloren. Toen wij nog sliepen, hadden de knechts
van onzen buurman, den rijken boer, de koeien reeds gemol-
ken. Wie te veel leest loopt gevaar, veel van het gelezene te
vergeten. Geef den keizer wat des keizers is.
1) fic^ begeben. 2) Crbnung. 3) ïpoftiflon. 4) SSiertetftUnbd^cn. 5) bitten.
6) gigorre. 7) anjünben. 8) hinüber. 9) Vertaal: ik waag het niet
(wagen = wagen). 10) rettungslos.
2.
De appel valt doorgaans 1) niet ver van den stam, zegt het
■ spreekwoord. Wie een kuil (ÖSrube vr.) voor een ander graaft 2),
valt - er zelf in 3). Neem u in acht 4), spreek niet te veel en
zeg niets dan de waarheid. Vergeet nooit fe groeten, mijn kind,
wanneer gij binnentreedt. De soldaten trokken den vijand (Bat.)
tegëmoet en vochten dapper ; maar 5) zij werden verslagen 6)
en kwamen bij (ju) honderden om 't leven. Hfl stortte 7) in
eene zware ziekte (Acc.), van welke hij eerst na drie maanden
geheel 8) genas. Vaartwel 9) en vergeet mij niet. Veel ge-
schreeuw 10) en weinig wol, zei de gek, toen (ba) schoor hij