Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
niet liet hare, zij verdraagt 13) alles, hoopt' alles en duldt 14)
alles. Wie niet wil verliezen, die spele niet. NutteloOze 15) zorg
maakt vroeg oud. Alles wat adem 16) heeft love den Heer.
1) leibcn. 2) Beiden. 3) Èemitlcibctt, Êeftogcn. 4) geI;or|am. 5) erfüllen.
6) ^Sonbitor. 7) für. 8) Überfe^ung. 9) «ollenben. 10) SlHtmenf^. 11) be=
reiten. 12) längmiitifl. 13) Dertrcigt. 14) bulben. 15) unnülj. 16) ?lteni m.
5.
Wie de hand in bloed (met Art) baadt, moet haar mèt tra-
nen wasschen 1). Een twistziek mensch richt slechts ongeluk
aan. Wie een ander doodt is een moordenaar. Wie veel bab-
belt hegt 2) veel. Het kleine meisje leidde 3) den armen blinde
gelijk een kind. De geur der bloemen verbreidde zich door de
geheele zaal 4).—Zijn uwe vertalingen reeds gecorrigeerd? Ja,
ik heb ze heden morgen teruggekregen 5). Hadt ge veel fou-
ten gemaakt? Meer dan ik vermoedde te hebben gemaakt;
inzonderheid in de vervoeging (Dat.) der werkwoorden heb ik
gefaald.—Toen de misdadiger 6) binnentrad 7), groette hij allen,
maar niemand groette hem weerom. — Ik heb zelden iemand
gezien, die zoo rijk was gekleed, als de gade 8) van den graaf
van D. — Drie van de roovers zijn gedood en zes gewond 9).
Roekeloos 10) is hij, die het gevaar veracht 11), wijl hij het
te gering 12) acht. Het slechtste 13) rad aan den wagen knarst
het ergste. Wie niet hooren wil, moet voelen. Gelukkig is het
volk, dat goed wordt geregeerd.
1) wofi^en. 2) lügen. 3) leiten (of) fül;ren. 4) ber Saol. 5) ^urüd
erholten. 6) SSerbrec^er. 7) Ijereintrat. 8) ©attin. 9) Berhmnben. 10) ruc^=
lo§. 11) uerndjten. 12) gering. 13) fdtilimm.
B. Sterke verToeging. Stnvkc Konjugation.
Het verschil tusschen sterke en zwakke werkwoorden is in 't
Hoogduitsch hetzelfde als bij ons: de sterke werkwoorden vormen
ba§ Sniperfeft niet door toevoeging van een' uitgang, maar door
klinkerverandering) ook ba§ 2te ^ßortijip verandert menigmaal
van stamklinker, en eindigt regelmatig op -cn. Vergelijk:
Ik kom, ik kwam, ik ben gekomen; ik neem, nam, heb genomen.
tomme, id^ fam, td^ bin getommen; ic^ ne'^me, noljm, Ijabe genommen.
Ik graaf, groef, heb gegraven; ik bied, bood, heb geboden,
grabe, grub, l)obe gegraben; biete, bot, fjobe geboten.