Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
lijk 3) geurde, geproefd ? De jager heeft de roofvogels, die in
zyne schuur {Dat.) wilden nastelen 4), gedood. De houtvester 5)
heeft vele boomen laten vellen 6).—Wie velt de boomen? Hij
stilde zijn' dorst met water uit de sloot. Wie den vinger tus-
schen 7) deur en hengsel 8) steekt 9), klemt zich.— Deze .spijs
schaadt 10) de gezondheid (Dat.). Hij knort 11) en bromt den
ganschen dag. Deze deur knarst 12) in de hengsels (Dat.). De
paarden draafden 13) verder, tot (bis) een breede stroom hunnen
loop 14) stuitte 15). De lustige reiziger ging 16) op een' stoel (Acc.)
staan 16) en hief 17) een lied aan 17). De beer bromt, het zwijn
knórt, de leeuw brult, de hond blaft en het schaap blaat 18).
Ik zie niet graag, dat ge wedt of dobbelt 19). Hü gekscheert
graag en wordt niet licht boos 20), wanneer men met hem
gekscheert. De visch zwemt 21) in het water (Dat.) en de vo-
gel vhegt in de lucht.
1) bev ©teië. 2) anblftfen. 3) f)crr[id), lieblic^. 4) niften. 5) görftev.
6) fiitleu. 7) jmijc^en. .B) ^Inael m. en vr. 9) fteden. 10) ief)aben. 11) muv=
ren. 12) tnarren. 13) trobcn. 14) Cauf m. 15) ()emmen. 16) (i^^ ftellen.
■17) anftimmen. 18) bloten. 19) njürfeln. 20) fic^ erbofen. 21) jcljwimmen.
4.
Nauwgezetheid ©emijfenbaftiBteit. babbelen jc^maljen.
twistziek jöntiic^. - aanrichten anric^ten (Ungliid).
inzonderheid infonbev^eit, beionberê. baden baben.
zelden feiten. corrigeeren torrigieren.
algemeen atlgeniein. vermoeden Bermuten..
nadat nad^bem. verbreiden Berbreiten.
de verdienste bo§ a>erbicnft. uurtje Stünbiben.
Wie ooren heeft om (o.) te hooren, die hoore. Wie in den
' zomer (Dat.) niet werkt, moet in den winter honger lijden 1).
Blaffende honden bijten 2) niet, zegt een zeker spreekwoord.—
De leerling leert, de leeraar onderwijst. 'Hoe lang hebt ge ge-
studeerd ? Beter benijd dan beklaagd 3). Bemint uwe ouders,
weest lum gehoorzaanj 4) en vervult 5) uwe plichten met ijver
en nauwgezetheid. De oudste zoon van onzen buurman, den
algemeen geachten banketbakker 6), heeft drie kinderen uit
het wator gered, en is voor 7) deze edele daad naar verdienste
beloond geworden. Nadat ik mijne vertaling 8) had voltooid 9),
heb ik een uurtje gewandeld. — De oude Egyptenaren aanbaden
vele dieren.- Wie zijnen medemenschen 10) verdriet en moeite
bereidt 11), mag niet wenschen, dat zij hem vreugde zullen be-
reiden. De liefde is lankmoedig 12) en vriendelijk; zij zoekt