Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
eeren e^ren.
spreken reben.
eten, spijzen jpcijen.
werken arfietfen.
laat ömp.) lai-.lafit.
trachten trosten,
bedenken bebenten.
falen feiten.
aanbidden anbeten (scheidbaar),
zich wreken jicfi xac[)en.
1.
(Eerst met DU, vervolgens met IHR).
Eer uwen vader en uwe moeder. AVat gij niet wilt, dat men
u doe 1), doe dat 2) ook aan (o.) een ander niet. Gij zult 3)
u niet wreken, maar 4) trachten ook uwe vijanden lief te
hebben. Wat ge doet 5), bedenk het einde. Wanneer gij aal-
moezen geeft 6), laat uwe linkerhand niet weten wat (ie rechter
doet. Oordeel 7) niet, opdat 8) gij niet geoordeeld wordt (ßonj.).
Groet uwe broeders van mij. Eet, wanneer gij honger, drink,
wanneer gij dorst 9) hebt. Hoor veel en spreek weinig.
2.
(Achtereenvolgens met Dü, IHR en SIE).
Wien zoekt gij ? Ik zoek u. - Waar hebt gij hen gezien ?
Bij uwen oom. - Meent ge, dat ge in zes weken {Dat.) eene
taal 10) kunt leeren? - Erbarm'u over de ongelukkigen en
reik 11) hun de reddende hand. - Hebt ge dat willen doen?
Schaam u. - Hebt ge de arme vrouw op de jobstijding 12)
voorbereid 13) ? - Wanneer eet gij ? Om 14) half drie, soms
kwart voor drie. - Ge hebt u over niemand te beklagen. -
Werkt ge 's avonds 15) altijd zoo lang ? Waarmede houdt gij
u 's avonds bezig ?
1) tt)uc. 2) Vert. dat doe. 3) joKen. 4) fonbeni. 5) t()uc, bu
ttjuft, er t^ut, roir t^un, itjr tf)ut, fie t^un. 6) flebc, bu gibft, er flibt,
mir geben , i^r gebt fie geben. 7) ridjten. 8) bamit. 9) ®urft m. -
10) gprndje. 11) rcidf)en. 12) §iobBbotfdf)nft. 13) uorbereiten. 14) urn.
15) be§ Slbenbê.
3.
foften proeven. tlenunen klemmen,
boffen hopen. ftiïlen stillen,
bellen blaffen. murren morren.,
oerftummenverstommen. fpafeen gekscheren,
gevaar niet. Toen de grijsaard 1) hem aan-
keek 2), verstomde hij. De arme man klaagde over zijn lot (Acc.);
ik trachtte hem te troosten. Hebt ge den wyn, die zoo, heer-
buften geuren,
flirtten vreezen.
nietten wedden.
trBften troosten.
Hij vreest het