Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
73
het werkwoord op -tctctt uitgaat, b. v. i)a6e regiert, [tu^
Siert, f p O j i f r t etc.
Aanm. 1. SBerïicn (worden) verliest het voorvoegsel jc als ïpor=
tijip, wanneer het met een ander werkwoord verbonden is ;
m. a. w. wanneer het een hulpwerkwoord is. Vergelijk:
@r ift Sofbat gemorben. 6r ift gefiinb geworben.
Êr ift beftroft worben. 6r ift gefanbt (gezonden) werben.
Aanm. 2. Wanneer de infinitief (onbepaalde wijs) van een
werkwoord met een der hulpwerkwoorden tjoben, fein, werben;
tonnen, mögen, miiffen, biirfen, wollen, foUen, loffen of met fe^en,
t)öten, tjetfen, mo^en, temen verbonden is, staat in het Duitsch
de infinitief van het voornaamste werkwoord vóór, in 't Ne-
derlandsch bijna altijd achter. Vergelijk :
Hij kwam, daar ik hem had
gr fam , weil il)m gerufen
Ijotte.
tjobe eë nicï)t tl)un tonnen.
(?r ^ot mif^ {ommen loffen.
®r bleibt ju §oufe, weit et nic^t
au§get)en barf.
®u ^ötteft i^m Reifen f oll en.
Ijobe i^m otbeiten Ijetfen.
§aben Sie i^n nid)t fommen f)ö»
r e n (geptt) ?
()obe i()n tennen Ie tuen (ge=
lernt).
(ft wollte micft gtouben mocben,
bafe jc.
Aanm. 3. .Zie als voorbeeld van vervoeging van een wederkee-
rend werkwoord (eines refle^ioen ober riirfjielenben 3eitwotte§)': fid)
f ^ ö m e n, bladz. 49.
Aanm. 4. De werkwoorden t n i) e n en f dj e n t e n zijn in 't Hoog-
duitsch zivaJi.
geroepen (geroepen had).
Ik heb het niet kunnen doen.
Hij heeft mij laten komen.
Hij blijft thuis, daar hü niet
mag uitgaan.
Gü hadt hem moeten helpen.
Ik heb hem helpen iverken.
Hebt gü hem niet hooren ko-
men.
Ik heb hem leeren kennen.
Hü wilde mü doen gelooven,
dat enz.
Vervoeg nu tot oefening de werkwoorden :
beten (bidden), poffen, fc^enfen, fifc^en, fii^ befoffen (zich bezig houden).
Vertaal:
groeten gtüRen.
weeromgroeten bonten,
kleeden ïleiben.
zich beklagen bellagen.
de rechterhand bie re^te ^tonb.
de hnkerhand bie linfe §onb.