Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
67
zyn. Hü, dien iedereen lieflieeft, moet een reclitschapen 10)
man zijn. Hij/met wien wü dageiyiis 11) omgaan 12), is onze
maiclcer. Hem, wiens lichaam veel grooter is dan dat van an-
dere menschen, noemt 13) men een' reus (Acc.). Hem, wien
het aan vrienden (Dat.) ontbreekt 14), beklaag ik. De nijd
heeft nog niemand rijk gemaakt. Wien God een ambt geeft,
zegt een oud spreekwoord 15), dien geeft Hij ook verstand.
1) Degene die, hij die = a) berjenige, weiteer ; b) ber, meldier ; c) mer.
Desgenen (die) = a) beêjenigen (melc^er of ber); b) beffcn (metier of bet);
c) meflen. - 2) löte, tötete, ^obe getötet. 3) l)0(^0ct)ten. 4) finbet. 5) äu=
rudbiingt. 6) arbeitet. 7) fotl. 8) effen. 9) fc^eut. 10) red^tfd^affen. 11) tfiglit^.
12) umgeljen. 13) nennt. 14) fe^lt of mongelt. 15) gpric^mort. •
6.
fprei^c mirfpret^en fpra^ 3cf) ^elfc mir Ijelfen ^alf
bu fpric^ft it)r fprec^t bu fprac^ft bu bilfft ibr t)elft bu batfft
er fpric^t fie fpre^en. er fprarf) !c. er bilft fie l)elfen. er fjalf :c.
Wie het bloed van zijnen naaste vergiet 1), is een moorde-
naar. Wie geen hoofd heeft, zegt een Duitsch spreekwoord,
die heeft ook geen lioed noodig. Wie in 't geheel 2) niets ge-
looft, gelooft al te 3) weinig ; wie alles gelooft, gelooft al te
veel. Wiens hand het bloed van zynen naaste vergiet, diens
bloed zal (foU) ook vergoten worden. Het lot 4) van hen, die
uitgetrokken 5) zijn, is mü onbekend 6). Hij helpt gaarne hen
{Dat.), die zijne hulp (Gen.) behoeven. Ik ben hun dankbaar 7),
die m\j geholpen hebben. Wij beminnen niet altoos hen, die
ons de waarheid zeggen. Ik spreek van (oon) hen, die gisteren
zijn teruggekeerd 8). Met hem, wiens hart valsch 9) is, wil ik
niet omgaan. Met hen, die mij vleien, laat 10) ik my niet gaarn«
in 10). Het lot van hem, wiens ouders dood zijn, is treurig.
De vreugde van hen, wier kinderen gezond terugkeerden, was
groot. Ik sprak met hen, aan wie gü dien langen brief ge-
zonden hadt. Wie den akker verzorgt 11), dien verzorgt de
akker. Wie aan het paard zijn' wil 12) laat (bl. 41), dion werpt 13)
het uit den zadel.
1) Bergiefee, Uergofe, babe »ergoffen. 2) gar. 3) allju. 4) Scbicffat.
5) auêgejogen. 6) unbetannt. 7) bantbar of ertenntlic^. 8) vert. terug-
gekeerd zijn; terugkeeren jurüdffebren. 9) falfti^. 10) ficl) einlaffeu
mit jemanb. 11) pflegen. 12) ber aUIIe,, be§ SBillenê etc. (2e klasse).
13) roirft.