Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
66
; '4
'i
i'.ï
i ■
i


haar? - Wilt gij uw nieuw huis verkoopen? Ja, \vilt gü het
misschien 2) koopen ?' - Ik wensch u, hun en haar eene ge-
lukkige reis 3). - Heeft hü u beleedigd 4) ? Ja, niet alleen 5)
mij, maar 5) ook haar en u. — Ik zal mü altoos u en de uwen
(Gen.) herinneren. — Ik zal aan (o.) u en de uwen de boeken
zenden, om welke gü mü (Acc.) verzocht 6) hebt. - Hebt gij
het zelf gezien ? Neen, maar uw broeder heeft het mü verteld.
1) jo. 2) ctma. 3) Meife vr. 4) belcibigt. 5) ni^t nur . . . fonbern.
6) gebeten.
4.
Deze wyn is' beter dan die, maar dit bier fs niet zoo goed
als 1) dat. Zulk water kan ik niet drinken. Kunt gü zulk een'
man liefhebben ? Alle middelen, waarvan (Gen.) hü zich bedien-
de 2), mislukten 3). De ongelukkige, waarover (Gen.) ik mü
ontfermde, dankte mü met tranen 4) in de oogen (Dat.) Wie
bemint niet die menschen, wier grootste genot 5> het is, an-
deren gelukkig te maken. Waarover schaamt gü u? gü behoeft'
u daarover niet te schamen. De paarden, welker schoonheid 6)
wü bewonderden, zullen aanstaanden Vrüdag verkocht worden.
Het kind, welks jongste zusje ziek was, weende zeer. De
soldaten, wier dapperheid de stad redde 7),'werden beloond.
De edele graaf heeft voor (o.) de arme vrouw, wier klein huisje
afgebrand was, een nieuw en grooter huis laten bouwen 8).
De kleeren van het kind, hetwelk met lucifers 9) gespeeld had,
vatten 10) vuur; slechts 11) met de grootste moeite werd het
^ gered. Iedereen zegt het, niemand weet het. Wat iemand niet is,
dat kan hü nog worden. Wie niets heeft, die verliest 12) niets.
Wie een glazen 13) huis heeft, moet niet met steenen gooien 14).
1) ot§. 2) fid^ bebienen. 3) f^lugen fef)l. 4) ïljïane vr. 5) Zie bl. 13.
6) Si^bnfteit vr. 7) ic^ rette, rettete, ^obe gerettet. 8) bauen taffen. 9) @trei^=
^ötjci^en. 10) fingen. 11) nur. 12) üertiert. 13) gtäfern. 14) luerfen.
5.
Degene, die (Hü, die) 1) een ander mensch doodt 2), is een
moordenaar. De lof desgenen (van hem) 1), dien wü hoogach-
ten 3), mag ons niet onverschillig zün. Dengene (hem), die
den ring vindt 4) en weerombrengt 5), zal men eene be-
looning schenken. Dengene (hem), die mü vleit, kan ik niet
hoogachten. - Hü, die niet werkt 6), zal 7) ook niet eten 8).
Hü, wiens moed geen gevaar ontziet 9), is een held. Hü, wien
ik mün vertrouwen niet schenken mag, kan mün vriend niet