Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
2.
miflen weten;
li) Weife ik weet
bu weifet je weet
er weife hij weet
wir wiffen wij weten
i^r wifet jullie weet
fie wiffen zij weten.
rufen roepen,
iet) rufe, ic^ rief, i^ ïiatè gerufen;
finben vinden,
idj finbe, fdnb, tc^ ^abe gefunben ;
brourfien behoeven, noodig hebben ;
begegnen (mit ®at.) ontmoeten;
daar {adv.) ba, bort;
daar (voegw.) weil.
De vrienden drukten -1) elkander de hand, en bij het afscheid
omhelsden 2) zy elkander. Wij zullen elkander spoedig schrij-
ven, riepen zij elkander (fid^) toe 3). - Ik weet niet, wanneer 4)
wij elkander zullen wederzien 5), weet gij het? Waar heb 6)
julhe elkaar ontmoet ? - Er was eens 7) een koning, die wegens
ztJne rijkdommen geroemd werd 8); hoe heette 9) die koning ?
Dat spreekt van zelf, gij meent Croesus, den koning van L7dië 10).—
Er is een koning, die geen land, geene onderdanen, geen troon,
geen kroon 11) en geen schepter 12) heeft; hoe heet 13) die
. koning? Ik weet het niet. Deze koning is het winterkoninkje 14).—
Er kon 15) niet op het veld (Dat.) ge danst worden, daar he
regende. — De arme herder was blij, toen het verloren 16) schaapt
wedergevonden was (met fic(i). Wanneer hebt gy elkander het
laatst 17) gezien ? Ik weet het niet, maar het is reeds lang 18)
geleden. - Er gaan veel vrienden in een klein huis (Acc.).
1) brüdten. '2) umarmen. 3) ju. 4) wann. 5) vert. wederzien zulle n
6) vert. zißt. 7.) einmal. 8) würbe. 9) Ijiefe. 10) ßijbien. 11) Ärone vr.
12) Septer onz. 13) Reifet. 14) Sauntönig. 15) tonnte. 16) »erloren.
17) juleljt. 18) lange.
3.
fönncn kunnen.
^rfifenë. 3mperfeft.
3(^1 fann ik kan Sc^ fonnte
b« fannft je kunt bu fonnteft
er fann hij kan er tonnte
wir fönnen wij kunnen wir fonnten
i^r fönnt jullie kunt i()r fonntet
fie tonnen zij kunnen, fie tonnten.
Grebnük achtereenvolgens de
naamwoord des 2en persoons.
Kent zü u ? Neen, maar ik ken haar
tcnnen
^JröfenS.
tenneik ken
bu tennft enz.
er tennt
wir tennen
il)r tennt
fie fennen.
drie vormen
kennen.
3mpcrfett.
3d) tannte
bu fannteft
er tannte
wir tannten
il)r tanntet
fie tnnnten.
het voor-
van
wel. Zoo 1), kent gü
5