Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
'J
- 'S
1
Nl
64
fönnen. ©tejenigen 9ïïenfd|en, beren ®erftanb fe^r fc^niac^ ift, hierj
ben SBbfinnige ober ^bioten genannt. S^riften, benen bie 9?äc^ften=
OcBe 1) nid^t ein §ouptgefe(j ift, führen biefen Sïamen mit Unrecht 2).
®aê finb bie SOïönner, bie (melci^e) mir gesoffen 3) ^aben, beren
SEBeiêfjeit mi^ geleitet ^at, benen ic^ alïeg jn eerbanten ^abe, unb
bie ic^ biê an meinen ïob öere^ren inerbe. (Segnet bie, weldoe euc^
(®at.) fluten, unb t^«t @ute8 benen, bie eudf) paffen.
GEMENGDE VERTALINGEN OVER HET VOORNAAMWOORD.
1.
biirfen mogen.
barf ik mag
bu borfft ge moogt
er barf liij mag
luir bllrfen wij mogen
i^r biirft jullie moogt
fie biirfen zij mogen.
Èeneiben benijden.
beneibe ik benijd
bu beneibeft enz.
er beneibet
wir beneiben
if|r beneibet
fte beneiben.
leiïien leenen; f(i^reiben schrijven,
lei^e, i^ lief), ii^ ^obe gelieven,
fc^retbe, ic^ fc^rieb, i^ ^abe gefc^rieben.
schrijfboek §eft, S^reibe^eft f., §efte.
het afscheid ber Stbfc^ieb.
wegens wegen (met Gen.).
Mevrouw uwe moeder Stjre grou 93ïutter. Mijnheer uw vader
35r §err Soter. Mejuffrouw uwe zuster 3fire gröulein Scïiwcfter.
Wij, die in de stad (Dat.) wonen, benijden u; jullie, die op
het land (Dat.) woont, benijdt ons. - Gij, die mij niet vleit, zult
mij zeker 1) de waarheid zeggen. - Dominé 2) mag ik u morgen
het fraaie prentenboek laten zien 3), dat vader (met Art:) mij
gegeven heeft ? Welzeker 1) mijn jongen, je zult mij daarmee
een genoegen doen. — Ben je in de kerk (Dat.) geweest ? Dat
vraag ik jou (Acc.). - Wat ontbreekt u nog ? Mij ontbreken vijf
schrijfboeken en eenige pennen 4), die ik aan (o.) mijn oudsten
broer geleend heb. - Mijnheer Müller, hebt u ook een brief van
uwen zoon ontvangen ? Ja, gisteren avond; morgen schrijf ik
hem terug 5). Wilt u mijne groeten aan hem en de zijnen (Acc.)
mede (mit) insluiten 6)? - Is mejuffrouw uwe zuster verloofd 7)?
Ja, wie heeft u dat verteld ? Mijnheer uw broeder.
1) gewii 2) §err ïpfarrer. 3) vert. toonen. 4) Seber vr. 5) jurüiï.
6) Zie bl. 55. 7) »ertobt.
1) liefde loi den naasie. 2) len onteehie. 3) ^etfcn regeert den Datief.