Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
59

Opmerkingen.
1° In 't Nederl. zijn de genetief en datief van 't betrekkelijk vnwd.
anders dan de gen. en datief van 't aanwijzend voornwd ; in 't
Hgd. zijn deze naamvallen gelijk. Als hetrekk. vnwd. treden bij
ons niet op de vormen dieyis en dien van 't aanwijz. vnwd. ,
maar de vormen van 't vragend voornwd: wiens, wien. Vergel.
. |De man, wiens kind enz. ®er beffen ^inb ic.
De vrouw, wier dochter enz. ®ie Srau, beren ïod)ter k.
De menschen,tüier huizen enz. 5)te ^Jienfcïjcn, beren §aiifer k.
. j De bedelaar ik iets gaf, enz. ®er ^-Bettter, bem idjetmoêga&K.
^ Debedelares,wïe(aanwie)ik,enz. 5)ie ^cttlerinn, ber it^ ic.
^ I Debedelaars,züje7;(aanwie)ik,enz Xie 33ettter, benen idj ic.
Ook na voorzetsels blijft de Ö in het Duitsch behouden, ter-
wijl wy haar in w veranderen, b. v. De man, met wien ik wan-
delde, over loien ik sprak, enz, ^cx D^iann, mit bem fpajierte/
über ben irf) ïprad). De kinderen, voor wie ik appelen plukte, enz.
®ie ^inber, für bie ic^ ic.
2® De gen. meerv. (beren) van het aanwijzend vnwd. bef, bie,
baê beantwoordt dikwyls aan ons er, Frangch en, b. v.
Gij hebt vele vi'ienden, ik heb er maar %veinige. Sie f)Qben oiele
greunbe, id) ^abe licrcu nur menige.
3® wordt als gewoon adjectief verbogen, wanneer ber
unbeftimmte ^Irtifel (ein) er voor staat : ein f o 1 e r 9J2ann
fö. eineS folrf)en 93ianneê, li. eineni f o 1 dj e 9}ianneïc. Volgt ber unbe=
ftimmte ''ilrtifcï, dan blijft jold) onverbogen: Soldj ein -DJÏann,
fold; eineê ï)ïanneê, 'J). foldj eineni ^JJtanne ic.
4° Behalve Ïïcr (bie, baê) worden in 't Hgd. (en ook in 't Ned.)
nog de volgende woorden als betrekkelijke voornw. gebruikt:
mid^n (mel^e, mel^eê) welke, hetwelk; mcr I) wie^ tooö I) wat. -
Wy gebruiken over 't algemeen meer het kortere die dan welke:
ook de Duitschers geven aan ber de voorkeur boven iuel^er.
In den genetief manl. en onzijdig gebruikt men altijd öcffen,
niet wetc^eê. (Zoudt ge kunnen verklaren, waarom niet?),
5° aOSct komt in 't gebruik met ons wie^ maö met ons \vat of
hetgeen overeen, b. v. Wie dat doet is een schurk, tuer baê t^ut
ift ein Si^urfe. Ik weet, wien ge meent; idj meife, m e n bu meinft.
Hü vertelde mij, dat hij zijn werk zonder hulp voltooid had,
wat (hetgeen) ik nauwelijks kan gelooven; er erja!)ïte mir, baë et
I ) 2Cer (wie) is gelijk aan: bcricnigc, »eldjcr (dej»cne, ilie}; tüOÖ is gelijk aan :
baêjenige, MaS (datgene, wal). In ivcr en ttaS ligi dus tegelijk een beirekkeijjk en
eene soorl van aanwijzend voornaamw. opgesloien. (/le hel bepalingaankondi-
gend voornaamwoord (bl. 61 enz.).