Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
57
§ 3
C. Het vragend voornwd. j3o6 fiogenlic Jünuort.
De Duitsche vragende voornaamwoorden Icomen met de onze
overeen. Het zyn: >ucr ? wie ? raas'( wat ? ino6 für ein ? wat voor
een? (meervoud was für?) en rocli^cr? welke?
aBer ? vraagt (gelylt ons loie ?) naar personen ; woS ? vraagt
(gelijk ons wat ?) naar saken.
a®cr? wordt aldus verbogen: 3Ï. met? lucffen? 2). wem?
W. wen?
aÖQë? aldus: 9i. wbö? weffen? ontbreekt. moö?
SO Q § für ein? wordt vóór het substantief staande als ber
unbeftimmte ?lrtife[ verbogen ; alleenstaande ( = wat voor iemand ?)
heeft het de verbuiging van een zelfstandig gebruikt adjectief
(vgl. bladz. 39).
Voorbeelden. SBer ift bas? äße ff en Suc^ ift baë ? Sffiem Ijaben
©ie baë Selb gegeben? ®on wem tjaft bu cë befommen ? SB e n tjaft bu
gefeljen ? - 2ßo6 ift baë ? SS eff e n rüljmft bu bic^ ? Si?aë ^aft bu ba ? '
SiJaë für ein Canbëmann ift er? Söaë für einer ift eë ? (of) Sffiaë
ift eë für einer? SB as für einem ïJïcnfc^cn Ijaft bu bein SJertrauen
gefd^entt? Söaë für Hnedjte Ijaben feinen So^n? Stiefettne^te. - 3BcI =
djem ffllonne ^aben Sie e§ erjdljlt ? etc.
S® e r vraagt zoowel naar één' persoon als naar meer perso-
nen, zoowel naar vrouwel. als naar manl. personen, b. v. SB er
ift jener Kaufmann? SB er ift jene ®amc? SB er finb jene Herren, jene
®amen ?
Vertaal:
Welk huis heeft noch 1) hout noch 1) steen ? Een slakken-
huis 2). - Wie moet eerst 3) spelen ? Wien en wat ziet gij ? Wien
hebt gij de boeken gestuurd ? Wiens pet 4) is in het water (Acc.)
gevallen? Wien moet ik danken? Van wien hebt gij gesproken? —
Wat voor een' vriend hebt gij daar 5) medegebracht 6)? Hij is
noch Franschman noch Duitscher, wat is het voor iemand ? Wat
voor lieden 7) zijn dat ? - Wiens huis is gisteren afgebrand 8) ?
Waarover 9) schaamt gij u ? Wie zijt gij en wat wenscht gij ?
Welke boeken zijn de uwe ? Welken arme hebt gij eene aal-
moes gegeven ? Wien moet gij spreken ?
1) raeber . .. nod). 2) Sdjnedenbauë. 3) juerft. 4) Äoppe vr. 5) bort.
6) mitgebra^t. 7) Seute. 8) abgebrannt. 9) «effen. — Sic^ rütjmen en
fid^ fd)änten regeeren den genetief.