Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
f _ 56
Hebt gij uw huis verkocht ?. Zoekt gij haar ? Zoekt gij haar
en hen? Zij kent u. Uw geluk is haar geluk. Uwe vreugde is
j ' hunne vreugde. Wat de uwen verheugt, dat (boê) verheugt ook
i- ^ - de hunnen. Wiens (meffen) boeken zijn dat ? Deze boeken zijn de
uwe, geene zijn de hare. Heeft zy U en haar (meerv.) een boek
gegeven ? Zij wil U, haar (enk.), haar (meerv.) en hen zien.
Wy willen ons over U, hen en haar erbarmen.
5° Vertaal :
^ Goede waar 1) prijst zich zelf. Ik hoorde u, maar gij hoordet
mij niet. Ik had uw boek op de tafel (Acc.) gelegd 2), hebt gy
het gevonden ? Hebt gy goed gerust 3) ? Ieder is zich zelf de
naaste. Toen ik btj uwen oom, den ouden professor, was,
toonde hij mij de fraaie geschenken, die 4) hij van de studenten
ontvangen heeft. Hebt gü mooie bloemen in uwen tuin (Dat.) ?
Ja, mag 5) ik u morgen een' ruiker zenden ? Gü zult mij daar-
, mede 6) een groot pleizier doen. De leugenaar 7) wordt 9) in
zyne leugen 8) gevangen 9). Wie van (orn) jullie, müne kinde-
ren, heeft den verloren sleutel gevonden ? vraagde de goed-
; ■ hartige grüsaard. Ik, lieve grootvader, riep de kleine Marie,
terwül 10) zü hem de armen om den hals sloeg 11) en hem
kuste 12).
/ 6° Vertaal:
Zich zelf kennen is de grootste kunst. Niemand is zoo oud,
: dat Uj 13) nog niet een jaar wil leven 14), en niemand is zoo
jong, dat hü 13) niet nog heden kan sterven 14). Twee koude
; steenen, die tegen elkaar gewreven worden 16), vatten 16)
ook vuur. Wat scheelt u? Ik dank u, mü scheelt niets. Myne
nicht - ge herinnert u haar (Oen.) nog — is verleden week
, ' uit Amerika teruggekeerd. Dat verheugt 17) mij, ik zou 18)
haar gaarne willen 18) zien. Zü wil u en den uwen een bezoek
brengen, dan zult gü haar zien. - Waar hebt gü die mooie por-
tefeuille gekocht ? Ik heb ze niet gekocht, müne goede ouders
hebben ze my geschonken. — De policie heeft de moordenaars
vei-volgd, maar zü heeft ze totnogtoe 19) niet kunnen krügen 20).
1) SBarc vr. 2) gelegt. 3) geruft. 4) bie (of) mcMje. 5) barf. 6) bomit.
7) Sügner. 8) Süge (®ot.). 9) Vertaal: vangt zich fiingt ftd^. 10)raat)=
renb (of) inbem. 11) f#Iug. 12) ïüfete. 13) dat hy = ber. 14) Ver-
taal : leven wil, sterven kan. 15) Vert.: die zich wrüven (reiben).
16) fangen. 17) freut. 18) ik zou willen id^ möd^te. 19) biê je^t.
20) ^abljaft merben fönnen (met Gen.).