Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
vrij- wel met ons jij, je, en meestal met het Fransche tu
overeenkomt. — Spreekt hij tot meer dan één' iutiemen
vriend, tot vader en moeder, tot broeders, zusters of kin-
deren, dan gebruikt hy den meervoudsvorm van b u, dat
is : t^r, 't welk dus vrij wel met ons jullie oi jelui overeen-
komt. - Maar ook alleen in deze gevallen mag hy b u,
meervoud t f) r gebruiken ; tegen ieder ander wie ook spre-
kende, zegt hij i»ic. Dit „^nrebemort" 2) wordt altoos met
eene hoofdletter geschreven en aldus verbogen: Sie, SSwr»
a^nen, Sie.
Het geldt zoowel voor 't enkelvoud als voor 't meer-
voud, en wordt tot zelfs tegenover den schoenpoetser gebe-
zigd, b. V. Kapitein, hebt u nog iets te bevelen ? §err ^oupt-
mann, ïiabeii Sie noi^ ctmaë ju befehlen ?-Hebt ge haver aan 't
paard gegeven ? §aben ® i c bent ïpferbe §afer gegeben ? Het
voornwd. Sie wordt „baä güvmort ber pflid^en 1) SJnrebe 2)"
genoemd.
Üpmerk. 2. ® u , b e i n etc. 'moet in brieven met eene hoofd-
letter worden geschreven.
Opmerk. 3. Het voornwd. SIE kan dus drie verschillende be-
teekenissen hebben ; het beantwoordt 1° aan 't Fransche
'die, 2" aan 't Fransche ils en elles, 3° aan 't Fransche vous.—
Wil men hierbij nog het verschil in naamval rekenen,
dan komen bij deze drie beteekenissen nog twee, nl. SIE
gelijk 4" Fransch la, 5" Fransch eux of les.
Vertaal:
Öerr Pfarrer, tc^ ^o6e Sie geftern gefe^en, ^aben ©te mid^ ourfi
gefe^en ? — SBo ifi bie SDïarte ? „§a6en Sie fie nid^t gefe^en ?"
9?ein. „Unb fie fogte mir, bn§ fie ©ie gefe^en ^ötté." — SÏSenn
Sic fie fc^en, bitte 3), grüben Sie fie »on mir. — @r reiß t^nen unb
3f|nen eine (^(afc^e guten 2öein(e«) fd^icfen. — 2Bo ttjoren Sie
geftern? mar mit meiner jüngften Sdjmefter in Slmfterbam."
SWeine Stielte erjötjltc mir, ba^ fie Sie unb fie bort ^ätte fpajieren
(9e)fe()en. — (Srbormen Sie fidj meiner unb meiner armen Äinber.
3d) roerbe mt^ 3^rer und i^rer erbarmen.
Opmerk. 4. Wanneer in het Duitsch op het persoonlijk voornwd.
van den len en 2en persoon het betrekkelijk vnwd. Ber,
nie volgt, wordt het persoonl. vnwd. na het betrekk.
1) beleefd. 2 ) aanspraak, aanspreking 3) als 'l n beliefl.