Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
ÜP
■50
Vertaal:
1.
Ik heb hem een boek en hij heeft mij eene mooie portefeuille 1)
geschonken. Zij toonden 2) ons de geschenken, die zij van
(öon) hunne ouders 3) ontvangen_ hadden. Zal 4) ik -jullie de
courant 5) sturen, of wilt 6) ge ze halen 7) ? Ontferm u 8)
onzer, riepen 9) de ongelukkigen. Ik gedenk 10) hunner met
stille vreugde 11). - Heb juUie je lessen 12) goed geleerd ? —
Wat 13) scheelt je ? Mij scheelt niets. - De policie 14) vervolg-
de 15) den dief, maar kon 16) hem niet krijgen 17). Ik houd
van kinderen (met Art.) en speel 18) graag met hen. — Waar
is uwe zuster? Ik heb haar niet gezien. Ik wenschte haar
dezen ruiker 19) te geven. - Hoe 20) gaat het u (Dat.) ? Ik dank
u, zeer wel.
2.
Hij heeft mij en u vijf jaar lang trouw gediend, wij moeten hem
goed beloonen. — Waar 21) zijn uwe makkers ? Ik heb ze niet
gezien. Ik wenschte hun iets nieuws 22) te vertellen. Vertel
het mij maar 23), ik zal het hun wel (fc^on) weder vertellen.
Mijne jongste zuster heeft hare lessen ijverig geleerd; de on-
derwijzer heeft haar geprezen en haar een fraai prentenboek
geschonken ? — Hij heeft mij betaald, u niet ? Neen, maar hij
heeft mij beloofd, mij spoedig te sullm (o.) betalen. Nu, ge '
kunt 24) hem gelooven. - Wanneer juUie goed leert en je goed
gedraagt 25), zeide de vader tot zijne kinderen, dan zal ik
juUie eene fraaie prent koopen.
1) ^PDrtcfeuitlc onz. 2) aetgcn. 3) eitern. 4) joïï. 5) gcitung vr.
6) wont. 7) (joicn. 8) ftc^ crÊanncn (met Gen.). 9) t^ rufe, ic^ rtef,
ic^ l)a6c gcruf^n. 10) gebenïen (met Gen. ll)3reubevr. 12) Cettton vr.
13) mag. 14) ïpolijei vr, 15) »erfcfgte. 16) fonnte. 17) ^ab£;aft »ct=
ben (met Gen.). 18) fpielen. 19) Straufe m. 20) mie. 21) mo. 22)etn)aê
Sleueë. 23) nur. 24) bu !annft (of:) i^r fönnt. 25) fid^ bctrogen.
Opmerking 1. Voor den tweeden persoon heeft de Duitscher, ge-
lijk uit vorenstaande verbuigingen blijkt, twee verschillende
vormen. Hierbij komt echter nog een derde vorm, die ver-
reweg de gebruikelijkste is. - Spreekt hij tot eën' intiemen
vriend, tot zijn vader, moeder of broeder, tot zijne vrouw
of tot zijn kind, dan bezigt hij het voornwd. bu 1), dat dus
1) Ook lol de Godheid sprekende gebruikt de Duitscher het voornwd. ï) u ,
b V. Onze Vader, die in de'hemelen zijl. Sfitft unyer, ber ®it 6ift tm $immct.