Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
'v
f)otte gemad;t, etc. v
(Vgl. bl. 46).
^c^ toerbe machen
bu »trft
er wirb „
etc. (Vgl. bl. 46.)
werbe gemacht §oben
bu wirft „ „
etc.
ïpiuêquaniperfett.
^ätte gemacht, etc.
(Vergl. bl. 46.)
futurum.
3cb werbe machen
bu merbeft „
er Werbe „
etc. (Vgl. bl. 46).
Suturum ejactum.
werbe gemocïit ï)aben
bu Werbeft „ „
etc.
3itn|icrotiu.
Enk. ma^e maak,
Meerv. mac^t maakt,
Enk. en Meerv. (beleefde vorm) iiind^en 8ie.
föonliitional.
ïPrafenë ober fjuturum.
3cf) würbe (zoude) mad^en (of) ic^ tuadite
bu Würbeft „ ^of) bu niac^teft
er würbe moc^eu ' ' (of) er mad)te
etc. (Vgl. bl. 46).
, ïPerfeft ober futurum eïactuiu.
würbe (zoude) gemaft ^aben (of) tc^ bätte gemocbt
bu Würbeft „ „ (of) bu t)ätteft „
etc. (Vgl. bl. 47).
erfte§ ^Partijip.
mad^enb.
3 ro e i t e ë ïp a r t i 3 i p.
gemocht.
. Evenzoo worden, onder vele andere werkwoorden, verbogen :
(eben, Ief)ren 1), lernen 1), (ieben 2), loben 3) ; jotjlen 4), jSljlen 5),
erjnfiten; retc^cn, taufen, fcficnten, fagen, ftbtcfen 0) ; wünfd;en, troffen,
fragen, bauten 7), bienen 7), brotjcn 7) (dreigen) ; ftrafen, betoenen;
feiten 8), führen, pflüden, »erfolgen; meinen, glauben 7), winfen 7) etc.
De reflexieve (wederkeerende of terugwerkende) werkw. wor-
den in het Hoogduitsch met de volgende voornaamwoorden
verbonden: mi^, Iiii^, fii^, und, cui^, ft(^,-b. v.
1) testen = leeren, onderwijzen; tetncn = leeren, .«tndeeren. 2 1 beminnen.
3) prijzen. 4) of bejahten, betalen. 5) tellen. G) zenden, stnren. 7) Deze 5 werkw.
hebben den Daiiet'bj zich. 8) leilen, falen; (onpersoonl.) schelen, mankeeren.