Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
der soldaat heb ik zelden gezien. De beschaafdste menschen
zijn niet altijd de beste, de armste heden zijn niet altijd de
ellendigste, en de rechtvaardigste niet altijd de bemindste. De
heler 1) is zoo erg 2) als de steler 3). De edele bedoelingen
van dezen wakkeren inspectem- werden door (Bon) kleingeestige
vijanden misduid 4). Hij is de oudste maar niet de wijste. In
deze streken (Dat.) is het (e§) warmer dan in de hooger ge-
legene 5). In December (met Art.) hebben wij de kortste, in
Tuni de langste dagen. Hoe 6) langer de dagen, hoe 6) korter
de nachten. Hoe liever 7) kind hoe scherper roê 8). De oudste
menschen hebben niet altijd de grootste (meeste) ondervinding.
2.
Wat 9) is het beste aan den zwijnskop (Dat.) ? De zoetste 10)
druiven hangen 11) het hoogst. Met de waarheid komt 12) men
"het verst 13). De rechte 14) weg is de beste. Gezondheid is
de grootste rijkdom. De nachtegaal 15) zingt het schoonst te
(urn) middernacht 16). Genoeg 17) hebben is meer dan veel
hebben. Mijn meest beminde (één woord) vriend is na lange
(comp.) afwezigheid teruggekeerd 18); aanstaanden Vrijdag 19)
keeren ook zijn wakkere lotgenooten 20) terug. Deze verstan-
dige knaap heeft zijn werk eerder en met minder moeite vol-
tooid 21) dan zijn oudste broer. Jongen en ouden kwamen 22)
nader om den teruggekeerden reiziger te begroeten 23). Is
deze afgevaardigde nog jonger dan hun afgevaardigde ? Hoe-
veel jonge en veelljelovende menschen zijn in dien rampzali-
gen 24) oorlog (Dat.) gevallen!
1) §el)fer. 2) De Duitscher zegt gewoonlijk: is erger) erg =
(ct)limm. 3) ©tcljler. 4) miBbeutet. 5) gelegen. 6) je . . . je. 7) lieb. 8) Ülu=
te vr. 9) waS. 10) jüi 11) gangen (of: jongen). 12) foinnit. 13) weit.
14) gerabe. 15) »Ra^tigaïï vr. 16) TOtternac^t. 47) geitug. 18) äurüdge-
ïe^rt. 19) Sreitag. 20) ScfiictialSgenofle. 21) Bolïenbet. 22) tarnen. 23) be=
grilfeen. 24) f)einoê.
§ 5.
Alvorens met het voornaamwoord te beginnen, moest ge
de tijdvormen van fein en (ja6en, die nog niet zijn opgegeven,
goed van buiten leeren: