Boekgegevens
Titel: Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Auteur: Leopold, Johannes
Uitgave: Breda: P.B. Nieuwenhuijs, 1881
Nijmegen: H.C.A. Thieme
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6071
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_201270
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Inleiding tot het Lehrbuch der deutschen Sprache
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
C>art, naï) 1), fc^wa^ unb arm,
gtorï, f(u0 2), fij^arf unb loarm.
Onregelmatig zijn: grofe, ßröfecr, gröfef;,- ^oc^, pijcr, ;
nai), nöijcr, näc^ft; - wenig, weniger, wenigft (of:) ntinber, minbeft,
geiyk mede de bijwoorden: balb, c^er, e^eft; en gern, lieber, am
liebften.
Ten slotte nog twee opmerkingen:
1) De comparatief wordt in het Nederl. door dan, in't Hoogd.
door alé') gevolgd b. v. Hij is grooter dan gü, er iff gröfeer al 5
bu (al§ êie).
2) Het onderscheid tusschen de uitdrukkingen : Jan is de
vroolijkste en: Jan is het vroolijkst kent ge, niet waar ? In het
eerste geval heeft er eene vergelijking tusschen verschillende
personen plaats gehad; in het tweede heeft men met slechts
een' persoon te doen, bij wien eene zekere eigenschap op ver-
schillende tijdstippen'in verschillenden graad wordt aangetroffen.
De eerste soort van superlatief is de gewone ; de tweede draagt
den naam van hijwoordelijken of adverbialen superlatief en wordt
in het Duitsch door atn gevormd; b. v. SDiefer Sd^iller ift b e r
fie i B t g ft e Bon allen ; er ift am fl e i B t g ft e n wenn er gelobt werben
(geprezen is); feine fc^wefter war b i e f ö n ft e, fie ift a m f c^ ö n =
ft e n , wenn fie fingt (of:) fie ift om f c^ ö n ft e n beim Sampenliiiht, enz.
Heeft de vergelijking niet op eigenschappen, maar op handelingen
betrekking, dan is de superlatief natuurlijk van hywoordelyken
aard. Vergelijk : ®iefe§ ïpferb i|l b a § b e ft e; biefei Sßferb löttft o m
b e ft e n ; — fie ift b i e f ^^ ö n ft e; fie fingt a m f d) ö n ft e n, enz.
Vertaal:
®ie ?lbfid)t bedoeling, wakker a) wodi, h) woder ;
bie (Segenb landstreek, aanstaandenZondagnoc^ftengonn^
bie (irfo^rung ondervinding, tag.
bie ?lbwefenl)ett afwezigheid, 3d) muß, bu mußt, er mufe, wir
bie moeite, müfftn, i^t müßt, fie müffen. -
bie ïraube druif, mufete, bu muBteft, er mußte, wit
fleinlid^ kleingeestig, • mußten, it)t muBtet, fie mufeten.
1.
Deze soldaat is dapper, hy is een dapper soldaat, een dapper-
*) Alleen d«ti gebruikt de üti-tsclicr ook beun, wanneer de welluidendheid
zulks vordert; b. v. 211« Sttabc Wat et ((^önec bcnn al8 Oilngting. (In Uoeverre
4rou als hier niet welluidend zijn ?).
1) na, nabijzijnd 2j ver>landig, slim